Met een plakkaat “Enschede” dat Nina voor me had gemaakt (op mijn aandringen ook met een bloemetje en wat decoratie rond de letters) stond ik langs de kant van de weg net buiten het centrum van Münster. Het kostte me ongeveer vijf minuten daar weg te komen. Het bleek heel makkelijk. Een dikke, fonkelnieuwe Mercedes M-klasse stopte. Het was een vrouw, een type waarvan ik niet meteen zou verwachten dat ze me meenam, een Taise. Haar auto had een Nederlands nummerplaat maar ze sprak geen Nederlands. Een beetje Duits enkel – daar moesten we ons dan mee behelpen.
Ze zei algauw, ongeveer een minuut na me in haar auto uitgenodigd te hebben, zoiets normaal nooit te doen. Ze nam nooit lifters mee, zei ze vermanend, maar nu zag ze ineens dat plakkaat en dacht ‘hey, daar ga ik heen’ en stopte. Ze klonk verward en nerveus, maar meer logica dan dit kwam er niet uit. Ik stelde haar gerust dat ik enkel een rit wil en bijlange niet iemand ben om schrik van te hebben. Ze bleef nerveus. Kennelijk had ze een flinke dosis cafeïne in haar bloed. Zo gaf ze ook toe. Ze werkte voor een traiteur, en bood me een deel van het eten aan dat ze in haar koffer had zitten. Ze had zelf net gegeten (met 3 tassen koffie nadien). En anders moest ze het toch wegsmijten.
Aan het station van Enschede, bij het uitstappen, legde ze dan zoals beloofd een slaatje, een paar stukken vlees en een aantal aardappelen in een stuk zilverpapier. Ze gaf me veel te veel, maar ik nam het dankbaar aan, nam afscheid en verdween in het station. Enschede is helemaal anders dan Münster. Hoe dicht de steden ook bij elkaar liggen, het is een ander land. Het was de 29ste, één dag voor Koninginnedag. In het station werd omgeroepen dat men met ‘het oowrannje retourkaartje’ goedkoop heen en weer naar Amsterdam kan reizen voor Koninginnedag. In Duitsland sprak niemand van Koninginnedag, hier was alles in beroering en leek wel alles om Koninginnedag te draaien. Overal werkte men aan voorbereidingen voor wat op het feest van het jaar leek. Ik voelde me comfortabel door de Nederlandse taal. Doch ik maakte er geen deel van uit, van al die oranje commotie. Ik kon alles rond me verstaan maar ik kon louter toeschouwertje spelen en van op een veilige afstand toezien op hun race tegen de tijd om alles in gereedheid te brengen. Alles was plots zoveel eenvoudiger en duidelijker. – De anticipatie groeide.
Op de trein las een man ‘De helaasheid der dingen.’ Hij moest lachen om wat hij las. Ik zag en hoorde rond me overal jonge Hollanders opgewonden hun verwachtingen en plannen voor de volgende dagen in gespannen afwachting met elkaar meedelen. Ze overlegden zo bijvoorbeeld over wat ze wouden eten: “Vanavond dan die spaghetti en dan morgen kebab? – Of dan morgen een bakje friet van die Vlaamse tent – de beste frites van Nederland?” Ik borg mijn Ipod op en luisterde ze stiekem geamuseerd af. Aan het Amsterdamse station nam ik een bus naar Sri’s ontmoetingsplaats.
De Indische, in Singapore studerende, en in Amsterdam Erasmus doende Sri wachtte me op aan de bushalte bij haar gebouw. Het 20 jaar oude bevallig bruine meisje woonde in een hypermoderne wijk, Funen-Park die nog volop in aanbouw was, kennelijk een verzameling van indrukwekkende architecturale experimenten (http://www.funen-park.nl/images/foto1.jpg). Haar gebouw was een home voor studenten. Ze nam me algauw mee bij haar vrienden en ik maakte kennis met Spanjaarden, een Pool en zijn moeder die daar op bezoek was, een Tsjechische en een Amerikaanse. Het was typisch Erasmus-gezelschap. Men kon eenvoudigweg niet meer verschillend zijn. Maar waarin ze elkaar allemaal in vonden, was het bier. Ze hadden er een winkelkarretje vol van in de studio staan – goed voorbereid op het feest.
We dronken enkele biertjes samen. De Poolse moeder deed ons ondertussen proeven van allerlei soorten worsten en vlezige zaken die niet zo naar vlees smaakten. Ze sprak enkel Pools en drong steeds aan, er was geen ontsnappen aan. Later bediende ze ons van een venijnig Pools drankje, een shot van 60 graden. Het Amerkaans meisje was op slag stippeldronken.
Het Amerikaanse meisje was een klein lieflijk ding van half Hongaarse en half Japanse origine. Sri sleurde haar met ons mee en samen met nog een Spaans meisje reden we per fiets naar het centrum.
Sri studeerde nu al een half jaar in Amsterdam maar was het duidelijk nog niet gewoon met de fiets te rijden. Ze reed tegen richting, op het voetpad, zwabberde van links naar rechts, en, zo vertelde ze, ze kon niet achter haar kijken want dan zou ze vallen. Ze reed dan maar voorop en wij snelden achter haar heen, haar volgend naar het centrum. De kleine Amerikaans-Hongaars-Japanse, ook gekend als Moriaka, bleek heel wat nuchterder wanneer er niemand haar vasthield. We raakten algauw op bestemming.
We reden enkele Amsterdamse heuvels over, dat zijn, de brugjes over grachten, en parkeerden onze fietsen aan een vrij stuk balustrade tussen de andere fietsen. Het centrum was druk. Hollanders zover het oog reikt: overal waren mensen. Luide R ’n B zette de sfeer. De smalle straat tussen het water en de typisch Amsterdamse huisjes was druk bevolkt met luidruchtige feestgangers. We openden één van de goedkope supermarktbiertjes die we hadden meegebracht en verspreidden ons in de massa. Een auto reed door de massa. Heel traag drong het tot de dronken feestgangers door dat die draaiende auto naast hen misschien wel eens langs zou willen, en dat ze daarvoor uit de weg zouden moeten gaan. Klaarblijkelijk waren de straten niet afgezet en met intervallen van tien minuten werd de massa opengespleten en werden we allen verplicht even onze buik in te trekken en dicht opeen te gaan staan om de auto’s door te laten.
Wat verderop in de straat was een andere studentenhome. We gingen daar eens langs. Een jonge Hollander met een dubbele tong vroeg of hij met ons mee mocht lopen, hij had zijn vrienden verloren en wou graag nog ergens naartoe gaan. Geen probleem, zei ik, al zou hij dan wel Engels moeten praten. Ik legde hem de respectieve herkomsten uit van onze groepsleden.
We liepen de home binnen. De Hollander had de afslag gemist en liep weer verloren. Sri stelde me voor aan enkele van haar vrienden. Ik leerde verschillende Amerikanen kennen en maakte wat oppervlakkige kennismakingsrondjes rondjes. Er werd gesproken over gaan en ik ging naar de deur. Daar trof ik twee rondbuikige Afro-Amerikaanse vrouwen met een knaller van joint. Ik rook het: “Are you smoking this pure?” “Yea, you want some?” “Sure,” en ik trok een keer en ik gaf het terug. Ik vertelde ze dat ze gek waren. Niemand doet dat hier, tenzij Amerikanen. Met fijne bloeddoorlopen oogjes lachten ze me aan. Ik vroeg ze of ze een pak sigaretten hadden. Ja, één van hen toonde een pak, en bood me een sigaret aan. Neen, zei ik, steek je joint daarin, dan heb je er later nog genot aan. Met deze tip boog ik me naar de bekende gezichten die me aan mijn zij hadden komen te verzamelen. Het was de Pool met zijn moeder. Ze dronken hun Poolse extreem sterke wodka. De moeder bood mij wat aan. Ik hief haar ostentatief mijn blik goedkoop bier. De Tsjechische en de andere waren er ook bij. De hele groep kwam plots weer tezamen. We trokken verder, op zoek naar het volgend podium.
We vonden een podium aan het water met veel ambiance. Een zangeres zong zoete deuntjes op opzwepende housebeats. Mensen dansten glimlachend. De groep had zich in deze kleine verplaatsing evenwel helemaal ontbonden. Sri, Moriaka en ik bleven even staan en rondkijken. Het duurde evenwel niet lang vooraleer we besloten onze tocht naar het podium door de krioelende massa verder te zetten, en die laatste meters naar de dansvloer af te leggen. We dansten. Moriaka was erg bedreven in het aantrekken van mannenblikken. Ze ging wel honderd keer per minuut met haar hand door haar haar en zond glimlachen in eenieders richting die maar in de buurt kwam. Ondertussen danste ze als een rubberen Barbie, met veel beweging maar weinig ritme. Sri had een lastige concurrent – niets waar haar exotisch donkere huid en haar diep zwart geschminkte ogen moest voor onderdoen. Ik stond naast twee lieflijke jonge meisjes die hun sex-appeal oneindige hoogtes wisten in te drijven in een subtiele strategie van verschijningen. Ik moest lachen – ook al lachte ik alleen.
We gingen naar een plaats waar de andere Erasmussers zich zouden verzamelen. Het was wat verwijderd van de grachten, een groot plein. Een dj speelde techno op een grote podium. De muziek was luid. De meesten van het publiek stonden wat van het podium verwijderd om te kunnen praten. Hier was iedereen dronken en/of high. Dit was Amsterdam: overal rook ik wiet. Ik trok een paar keren van de joint van een Hollander die naast mij stond en danste nog wat. Ik vond een grote lange strook bubbeltjesplastiek en maakte er een cape van. Iemand toonde me dat dat hij dat ook in zijn Iphone zitten heeft. Toch vond ik mijn echte bubbeltjes leuker. Ik scheurde een stuk van mijn cape en gaf het hem – Vlamingen zijn tenslotte vrijgevige mensen nietwaar. Ik vocht voor ons reputatie tegen tal van andere mensen. Een stel grote zwarten met 80’s-kapsels en een Hollands accent maakten zich vrolijk om mijn cape en dansten met coole moves om me heen. We babbelden en ik bleek de eerste Belg die ze in levende lijve ontmoet hadden – op de doofstomme Samson van de speelgoedwinkel na. Ze reikten me een joint aan. Ik trok weer niet meer dan enkele keren en bedankte hen ervoor.
Ik danste richting Sri en Moriaka die kennelijk wat in een dipje geraakt waren. Ze stonden wat afwezig mee te luisteren, of te proberen mee te luisterden, met een gesprek tussen de Poolse kerel van de home en een Amerikaan van de andere home (die ik ook kort begroet had enkele uren voordien). Het was nogal filosofisch – op dit uur niet erg interessant. Ik vertelde een slechte mop en ging weer wat verderop staan, dichter bij de speakers, om te dansen. De meisjes bewogen mee. De massa was intussen dermate uitgedund dat het onmogelijk werd elkaar kwijt te raken. Bekende gezichten stonden wat overal rond te kijken of te dansen. Ik ging terug naar de Amerikaan en vroeg hem suggestief waar hij zijn bier gehaald heeft. Hij bood me er één aan en we toosten op de Hollandse koningin, en vooral, op de feesten!
Om één uur werd de muziek stilgelegd en kwam de Erasmusgroep weer bij elkaar samen. Ik vroeg wat rond in het Nederlands naar de mogelijkheden om het feestje voort te zetten. Enkele bedronken, en wellicht ook gedrogeerde, kerels zeiden eerst nog een jointje te willen rollen en ons dan te leiden. Ik deed me wat voor als de leider van de Erasmusgroep en sprak ongeremd en op een eenvoudige manier mensen aan met de vraag of het feestje nog ergens voortgezet kon worden.
Uiteindelijk viel de groep weer uiteen – anderen zouden achterkomen – en vertrok ik met Sri en Moriaka op zoek naar een leuke bar. Dat werd niet zo moeilijk. We raakten aan de praat met twee Nederlanders van een jaar of 30, waarvan één van de twee erop stond zijn punt te bewijzen dat hij maar een kleine penis had. Hoe we in die discussie verzeild waren geraakt, weet ik niet meer, wat ik wel weet is dat ik niet kon ophouden met lachen, terwijl hij maar bleef insisteren. “Zo groot ongeveer,” toonde hij met zijn duim en wijsvinger een tweetal centimeter uit elkaar. Uiteindelijk ging ik even buitenstaan zodat hij zijn klein piemeltje eens ongeremd kon tonen aan de twee meisjes. Niet veel later gingen we terug. De volgende dag wou Sri opstaan om 9 uur. Ze stond haar bed aan mij af. Ze had blijkbaar geen tweede matrasje en nam genoegen met haar dons dubbelgevouwen op de grond. In de kamer sliep haar Tsjechische medebewoonster en twee van haar vrienden (een koppel ook uit Praag) die ik nog niet had ontmoet. Ik maakte er geen discussie van en legde me in mijn slaapzak op haar bed.
donderdag 25 juni 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten