Het was zondag. Buiten straalde de zon. Ik was alleen. Ina was aan het werk en ik had de hele dag voor mezelf. Ik nam voor van mijn dag gebruik te maken om het Docu-Zentrum te bezoeken op de Reichsparteitagsgelände. Ik voelde me toch wat te groezelig in mijn kop om mijn dag productief in te richten. Wat gaan ronddwalen op de terreinen van het volksnationalisme leek me dan nog de productiefste tijdsbesteding.
De zon beukte in op mijn hoofd – ik hoopte dat die Dafalgan maar snel in werking treedt. Gelukkig bood de tram wat beschutting. Ik reed naar goeie gewoonte zwart. Elke 2 Euro 20 die ik uitspaar is je reinste winst. En ik won.
Naast het gebouw van het Docu-Zentrum stond een soort pretpark, Volksfest genaamd, iets wat enkel de helft van het jaar geopend is, en het was net geopend, met als gevolg dat ik bij het uitstappen van de tram in een massa terecht kwam. Voor de ingang liep een handvol van die generische Japanners die speciaal voor Hitler naar deze plaats waren afgezakt, tussen de rondbuikige Duitsers in joggingbroeken in wier ogen men de lust naar het bier en de braadworsten van het Volksfest al stond af te lezen.
Het gebouw was groot en statig, gebouwd in een imperialistische stijl die uiteindelijk niet zo indrukwekkend als groot is. Ja het was immens en statig, en de homogeniteit in de stijlelementen werd enkel gebroken door een spits uitstekend stuk moderne architectuur dat als een hakbijl in een hout stronk stak. Het was de ingang van het documentatie-centrum. Het was alsof het verleden opengekliefd werd door die moderne constructie. Ik liep de schitterende metalige trap op die het gebouw binnen leidde. Ik liet het helle van de dag achter me en betrad de moderne, zichtbaar duur ingerichte ruimte. Overal hingen reusachtige foto’s en plattegronden van de Reichsparteitagsgelände. Wat de Reichsparteitag precies was, wist ik nog steeds niet, maar naarmate de schaal van die dingen tot me doordrong, groeide mijn interesse om te weten te komen wat dit was. Hitlers megalomanie: – de conclusie was duidelijk.
Voor vijf Euro kreeg ik een ticketje en een ‘audioguide.’ Ik volgde de pijltjes en kwam in een ruimte terecht waar zich een film afspeelde. Ik werd, waarlijk, haast omvergeblazen. Ik liet me volledig meesleuren door wat ik zag. Ik liet me onderdompelen. De Dafalgan deed zijn werk maar mijn kater had zo nog steeds zijn effect. Ik voelde zaken die ik nog nooit gevoeld had, en de hele tocht door het docu-centrum was als een wilde trip waar mijn verbeelding met de kracht van gebeurtenissen werd gestimuleerd tot voorstellingen van grootheidswaanzin die tot op die dag mijn geest nog nooit betreden hadden.
Na de film bestond de rondleiding eigenlijk uit niks meer dan panelen met geschreven uitleg en foto’s. Hier en daar werd ook nog een filmpje geprojecteerd, of stonden maquettes uitgesteld. Ik deed de hele weg als langzaamste. Ik liet me iedereen voorbijsteken. Ik moest alles weten, ik moest alles gelezen hebben.
Het verhaal dat er zich afwikkelde was in feite als een documentaire, maar een heel speciale. Je zou het een nieuw medium kunnen noemen. In deze kale, lege gangen, van dit indrukwekkend gebouw, op deze immense terreinen (=Gelände)… Ik kwam zo te weten dat dit gebouw waarin ik me bevond, bedoeld was een congrescentrum te worden. Volgens de plannen ging dit gebouw dubbel zo hoog worden (dan de zeven verdiepingen die het al telde). Maar net als het grootste deel van de gebouwen op de terreinen was het nooit afgewerkt geraakt.
Al de geplande gebouwen hadden gemeen dat ze bedoeld waren als propaganda-instrumenten. Het waren enorme, intimiderende bouwwerken, waarin duizenden mensen konden plaatsnemen, en hun ogen richten op één persoon, de ultieme scoutsleider, Hitler. Vanaf de jaren 30 werden zulke bijeenkomsten jaarlijks georganiseerd door de nationaalsocialisten, ook nog voor Hitler de tiran was die hij later werd. Die dag werd dan de Reichsparteitag genoemd.
Aanvankelijk had ik het wat moeilijk met het feit dat zoveel toegeschreven wordt aan de persoon van Adolf Hitler zelf – alsof hij dat allemaal op zijn eentje had klaargespeeld. Maar na verloop van tijd werd het me echter wel duidelijk dat een eerder toevallige reeks van veranderende omstandigheden deze ene, gekke idealist zover begeleid hebben. Rond zijn persoon speelde inderdaad een groot deel van het verhaal af. Hij was zo bijvoorbeeld ook hoogstpersoonlijk de bouwmeester van het hele gedoe. Alfred Speer, de architect, kreeg zo bijvoorbeeld kleurenschema’s van Hitler met de graad van afwisseling en de kleursoorten voor het graniet dat de Führer voor de tribunes gebruikt wou zien. Gekke dingen.
Dat graniet, overigens, werd in onmenselijke omstandigheden door Joden gedolven. Uitroeiing door uitputting, werd dat genoemd. De ontzettend kostelijke graafwerken werden echter stilgelegd in de oorlog. De enige bouwwerken die afgeraakt waren, was de ‘grote straat’ (een door reusachtige marmeren tegels, van 2 op 3 meter, geplaveide weg van 2 km), en het Zeppelinveld, waar Hitler vele van zijn gekende, welgedocumenteerde propagandatoespraken hield.
Na mijn toer door het centrum liep ik eens rond op de terreinen. De zon brandde nog even hevig als tevoren. Overal liepen dikke, bierdrinkende, braadworstwretende Duitsers. De ‘grote straat’ deed dienst als parking voor het Volksfest. Overal stonden van die verlaagde, uitgebouwde Johnnybakken. Maar ik zag er voorbij. Ik liep het immense meer rond dat ontstaan was bij het graven van de funderingen voor één van de bouwwerken (het Romeins Forum) en liep naar het Zeppelinveld. Op de tribunes zaten overal mensen te keuvelen. Men keek uit op een straat tussen de tribunes. Vele rollerskaters waren erop aan het spelen. Het was ook de startplaats van de ring van Nürnberg (het bekende Formule 1-parcours). Ik zette me neer en probeerde me in die massapsychose in te beelden die er destijds zovelen achter één geschaard had. Ik probeerde me over de perplexiteit heen te zetten en er de werking van te onderzoeken op de psyches van die zovelen. Ik vroeg me af hoe een mens vandaag de dag net zoals Hitler kan worden, het partijbelang en de eigen roem boven elk ideaal kan laten primeren en – . Ah neen, juist, dat is wat elke politicus vandaag doet!
Met voldoende zuurstof om mijn brein nog voor een tijd bezig te houden, ging ik terug naar het appartement van Ina. Het was intussen laat geworden. Het koelde snel af. Ik haastte me terug, at wat, en schreef.
Volgende dag had Ina vrij. Langzaam maakte ik me klaar voor vertrek. Ik had een Mitfahrgelegenheit bemachtigd om mijn reis verder te zetten. Heidelberg was mijn volgende bestemming. Ik keek ernaar uit. Heidelberg was een studentenstad, met de oudste universiteit van Duitsland.
Zes dagen was ik uiteindelijk bij Ina gebleven. Langer dan gepland. Nochtans had ik niet het gevoel dat ik veel achterliet bij mijn vertrek. Ina was niet bepaald iemand waarmee ik iets diepers kon opbouwen. Ik stoorde mee steeds weer aan de onbenulligheid van de gespreksonderwerpen, maar op z’n minst sprak ik toch Duits. Ik oefende. En zij verbeterde me. Ik ging vooruit.
maandag 8 juni 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten