Volgende dag nam Frederik me mee op een wandeling langs zijn favoriete plekjes in de stad. Het was weer mooi weer en hij praatte gepassioneerd over zijn stad, zijn toekomstdromen en zijn roots. Zij moeder was van Lüttich (‘Luik’ in het Duits). We praatte in het Frans en Duits over cultuur en subcultuur, over grootsteden, industriële steden, steden die in de oorlog werden vernielt en erna weer werden opgebouwd, kortom over alles waarbij we Keulen als voorbeeld konden nemen. Later vonden we een skateboard op straat, we reden het verder en deden elk om beurt wat trucjes. Hij ging naar school en ik zocht Claudi op, die haar weer ergens langs de Rein had gesetteld. Ik skatete daarheen.
Ze had haar boek van Nietzsche mee. De vorige dag zag ze me erin lezen (in mijn Nederlandstalige versie) en had ik ze uitgedaagd ook eens een stukje te lezen (in haar Duitse versie). Alhoewel dat van mijnentwege eerder als een grap was bedoeld, had de uitdaging haar niet losgelaten. Ze moest en zou begrijpen wat daar stond. En zo begonnen we dan een geïmproviseerd Nietzsche-seminarie. We lazen een half uurtje, en dan bespraken we wat ‘den Free’ in ons losmaakte. Hoogst interessant – al kon ik Claudi het niet gunnen dat ze de grootorde van waarover gesproken worden goed begrepen had. Zij sprak over Nietzsche – ik sprak over kennis, filosofie en macht. Maar ik was er ook al maanden op aan het kauwen, en voor mij was Nietzsche meer dan wat dan ook een uitdaging gaan betekenen voor de gevestigde orde, dat is, voor de autoriteiten onder de filosofen. Voor mij was het meer dat dan zoals Claudi het zag, een filosofisch systeem dat op zichzelf staat. Ik kon haar moeilijk haar gelijk gunnen (net zoals overigens iedereen die zegt dat hij ‘Nietzsche gelezen’ heeft – Nietzsche leest men niet zoals men een boek leest).
Volgende dag was het Tobi die vrij had. Hij had ook wel zin in een wandelingetje met mij door zijn stad. Het weer was weer stralend. We namen het skateboard mee. Tobi bleek een skateboardverleden een deed enkele indrukwekkende trucs, dat is, tot het skateboard kapot was: een wiel afgebroken. We haalden ons een biertje in een kiosk en wandelden verder. Ik liet me leiden door de straten van zijn stad. De hele wandeling spraken we ditmaal over het onderwerp stedelijkheid. Ik probeerde hem uit te leggen dat hetgeen ik elke keer verken wanneer ik in een nieuwe stad kom, voor het overgrote deel niet meer dan een transitzone is. En dan spreek ik niet louter over de ‘aard’ van de ruimte, zei ik, maar wel de betekenissen die het dag in dag uit wordt toegekend door voorbijgangers, door mensen die er wonen, mensen die er shoppen, mensen die er bedelen enzovoort. Want door die ruimte, als het al een ruimte is, pendelen mensen er dwars doorheen, met een Ipod in de oren en wat leesvoer voor de ogen, ingekapseld, geïsoleerd voor elke prikkel van de buitenwereld. Dit is de transitzone. Wat wij zoeken, vandaag, zei ik hem, is de openbare ruimte, de ruimte van sociale stratificatie, de ruimte van erkenning en taxatie, van hiërarchie en discriminatie – de echte stad. Die blikken zochten we op, plaatsen waar net die oordelen geveld worden.
Tobi nam mee voor de eerste falafel van mijn leven, in de buurt van de universiteit – zijn favoriete buurt. We dronken nog een bier en liepen naar de universiteitscampus, waar Claudi op ons wachtte. Vervolgens dronken we nog een bier, en deden we met ons drieën, zij het licht aangeschoten, wat inkopen, waarop we teruggingen naar de flat. Daar maakte ik dan mijn specialiteit, mijn spaghetti alla bolognaise. De andere Tobi, de vriend van de groep die er zondag ook bij was, kwam op bezoek en at mee, en we praten over Azië: over goedkope drugs, corruptie en reizen. Hijzelf had zes maanden in Zuid-Oost Azië rondgereisd en heel wat mensen leren kennen, zo van die mensen die goedkope drugs wel al eens durven uittesten en ook voor prostitutie niet terugschrikken. Het was weer interessant, een taboeloos gesprek over realiteiten die ons, mij, en ook u aangaan. Frederik had door Zuid-Amerika gereisd en hij kwam er steeds weer op terug dat hij mijn projectje, mijn reis, eigenlijk interessanter vond dan hetgeen hij had gedaan. Ik had me van het begin af aan sterk gemaakt met argumenten als “ik wil niet zo vrijblijvend in een arm land rondreizen,” “foto’s nemen van tragedies en dan terug naar huis gaan: is dat dan moreel?” en “we zijn nog altijd een beetje neo-kolonistisch zo wanneer we over reizen spreken: we hebben het nog steeds niet afgeleerd iedereen naar onze ‘welvaart’ te meten, alhoewel we eigenlijk geen idee hebben wat die maatstaf inhoud.” Eigenlijk kwam ik er steeds weer bij terug dat ik de maatstaf zelf wil onderzoeken, en de diversiteit en incoherenties in die maat. Want daarna kan de rest van de wereld (lees: de ex-kolonies) eventueel nog volgen.
Volgende dag was mijn laatste dag in de inspiratierijke (maar nog steeds even chaotische en vuile) WG. Maar ik moest door. Ik had geen tijd te verliezen. Amsterdam zou niet op me wachten. Ik moest er de 28ste zijn om er het stadsfestival rond Koninginnedag mee te maken. Het was mijn laatste avond in Keulen en de grootmoedige Tobi wou me bij wijze van afscheidscadeau een elektrofeestje schenken (NB: in Duitsland heet zowat alle elektronische muziek ‘elektro’).
We dronken enkele goedkope pinten uit de kiosk en gingen op weg. Het was nog steeds behoorlijk warm en haast hadden we niet. Rond middennacht kwamen we aan – echter aan een gesloten deur. Blijkbaar was het dan toch niet vandaag. We zochten een internetcafé in de buurt (gelukkig heeft zowat elke hoek van de straat zo een kiosk/internetcafé) en Tobi las de alternatieven voor. Uiteindelijk kwamen we terecht op een feestje in een trendy club net naast de kathedraal, de Kölner Dom. Enkele (voor mij althans) bekende namen traden er op en ik kon niet wachten er binnen te gaan. De 7 Euro had ik er wel voor over. Bukkator en Oliver Hacke speelden immers. En vooral deze laatste had ik altijd wel heel erg gemogen. Oliver Hacke maakt een heel originele mengeling van deep house en glitch- en minimal-elementen. De club was evenwel zo goed als leeg. We raakten gratis binnen, maar we waren nagenoeg alleen. Maar de muziek was goed. We dronken een Kölsch (Keuls bier in een 20cl glas) en genoten van de vrije plek op de dansvloer om onze beste dance moves nog wat in te oefenen. Ik vond op een bepaald moment een jointje bij een oude stoner, wat we vervolgens buiten oprookten. Maar toen we terug binnenkwamen was de dj er net een eindpunt aan het achterzetten. Dat was het dan maar. We gingen slapen. We hadden toch eens goed gedanst. Een mooi cadeau vond ik dat.
Volgende dag nam ik afscheid van twee van mijn drie nieuwe vrienden en reed ik met een Mitfahrt mee naar Münster. Free had mij immers uitgenodigd op een verjaardagsfeestje van een vriendin uit Münster waar hij ook heen ging. Ik kon daar één nacht blijven, daarna zou ik naar Nina gaan, een meisje dat positief op mijn bericht op Couchsurfing had gereageerd.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten