Münster is een kleine stad. Het is een studentenstad. Op die jaarlijkse toestroom van Nederlandse uitwisselingsstudenten na, zijn er weinig buitenlanders en er is in het algemeen weinig toerisme (ook geen binnenlands toerisme). Aanvankelijk wou ik Münster louter op mijn traject plaatsen omwille van het feit dat het zich op een 50-tal kilometer van de grens met Nederland bevindt, en dat ik graag die ‘invloedsfeer’ wat ontdekt had. Daarbij kwam ook mijn idee dat ik er het plaatselijk dialect, het Plattdeutsch, of Niederdeutsch te horen zou krijgen. Dat bleek evenwel niet het geval. Al snel nadat ik in de stad was aangekomen, zo zittend op een bankje vlak bij het station met een verse, hete döner kebab in de handen, kwam ik tot de vaststelling dat men ook hier slechts twee dialecten, of zeg maar accenten, spreekt, en dat is, Hochdeutsch, en Hochdeutsch vol met grammaticale fouten en een belabberd accent (Turks heet dat accent dan). Plattdeutsch wordt enkel door oudjes gesproken – dat soort mensen van vóór couchsurfing, facebook, msn en dat soort zaken. U heeft er vast al van gehoord.
In Duitsland is het bestaan van het dialect als spreektaal net als in Frankrijk grotendeels verdwenen. Waar men in Frankrijk van Bretoens kan spreken, spreekt men hier nog van Bayrisch of Frankisch of Saksisch (in het Duits uitgesproken: ‘seksis’). Verder kan men weinig opdelingen maken, en alhoewel men nog steeds onderscheiden van Hochdeutsch blijft spreken, gaat dat om verschillen van de grootorde van de van de verschillen tussen Eeklo en Deinze. De verschillen tussen de minderheidsgroepen zijn doorgaans een pak groter dan die tussen de spraakgebieden – en dan spreek ik weldegelijk niet over het Duits van slechthorigen.
Niettemin genoot ik ervan eens in een kleinere stad te zijn terecht gekomen. Het was zonnig en warm. Overal flitsten jonge, hapklare stukjes vrouwenvlees aan me voorbij, heel slecht voor de concentratie, maar ik voelde me levendig en klaar. Ik belde het nummer op van het meisje wier verjaardag het was, en vroeg hoe ik het makkelijkst bij haar kon komen. Ze had een hoog, schril stemmetje en legde me tot in de kleinste details uit hoe ik er kon geraken. Ik zei ‘ja’, ‘ja’, en nog een aantal keer ‘ja’, en dan ‘bis dann’. Vervolgens ging ik op een ontspannen tempo, ontvankelijk voor de zinnelijke indrukken die tot mij kwamen, mijn weg, zonder omwegen, zoals dat meisjesstemmetje me aan de telefoon beschreven had.
Frederik was er nog niet. Hij zou nog even op zich laten wachten. Er waren twee meisjes. Ze waren bezig met voorbereidingen in de keuken. Het schelle stemmetje was afkomstig van een slank brunetje. Ze gaf me een nat hand. Zij was de jarige, de vriendin van Frederik. Een blond meisje kwam uit Frankfurt. Ze zag er ook behoorlijk goed uit, maar kennelijk, ook evenals haar vriendin, onaangedaan door mijn hoffelijkheid.
De meisjes verwenden me alvast met een biertje. Het was een WG (in het Duits zegt men eerder WG dan Wohngemeinschaft). Drie meisjes woonden er. Duidelijk drie nette, brave meisjes. Ze waren duidelijk heel wat beter georganiseerd dan Frederiks WG, waar ik net vandaan kwam. Eén ervan was er niet bij die avond. Frederik en ik zouden in haar kamer kunnen slapen. De andere moest nog toekomen.
De meisjes prepareerden slaatjes voor bij de BBQ die ze op het terras zouden houden. Ik hielp wat en onderging gedwee hun bemoederende instructies. Het waren ware, zoals dat in het Duits heet, ‘spießige’ meisjes (burgerlijk, conservatief). Met hoge stemmetjes tetterden ze zo tegen elkaar over hoe mooi het zou worden en hoe gezellig het zal zijn, met dekentjes die ze voorzien hebben om onze beentjes warm te houden wanneer we buiten op de stoeltjes zitten. Het kwetteren ging uren door. Het was vermoeiend aan te horen. Ik kreeg zin om wat luchtbellen kapot te pitsen, en liefst geweldig, met veel lawaai, en met vonken die overal venijnig in het rond spetteren, maar ik hield me in, en trok me wat terug van al die pijnlijke middelmatigheid, van al dat middelpuntloos omcirkelende gekwebbel.
Frederik had zijn gitaar meegebracht en na het barbecueën zong hij enkele zelfgeschreven, en ook minder zelfgeschreven Duitse nummers. Hij zong prachtig. Ik ontwaakte uit mijn tandenknarsende terughoudendheid. Van op het terras weergalmde zijn stem tegen de appartementsblokken aan de overzijde. Het was donker. We zagen elkaar amper. Maar hij zong zonder aarzelingen, hij zong werkelijk uit volle borst. Hij zong poëtische, diepzinnige nummers, als Das absolute Glück van Peterlicht. En wij, wij genoten. (Toch iets waarin ik me met die meisjes kon identificeren.) En voor het eerst die avond voelde het alsof iets van meerwaarde was bereikt. Het was (bijna) de moeite waard. Daarop ging ik slapen. De volgende dag vertrok ik naar Nina, ietwat verderop.
Nina bleek een mooi meisje. Ze was 19 en zat in haar laatste jaar Gymnasium (zoals normaal in Duitsland: unief begint maar op 19-20). Haar verschijning had iets bevalligs – ook al was het er moeilijk uit te halen, vanwege de beugel, en het feit dat ze wel een kleine 20 kilogram boven haar gewicht zat. Maar volgens mij was ze knap. Ze zat bovendien van het eerste moment barstensvol met energie, klaar om het met me te delen. Ze had plannen, ideeën, voorstellen. Het kikkerde me op. Ze bezorgde me een fiets en we gingen samen op een fietstochtje door het centrum.
Münster is een mooie stad. Het is niet bepaald oud of idyllisch, maar het is grotendeels verkeersvrij en alles is relatief dicht bijeen. Rond de stad loopt een soort ring die de Promenade heet, een groene zone met een breed fietspad waarop (op Segways na) geen gemotoriseerde vervoersmiddelen toegelaten zijn. Het is een rustige stad, een enorm leefbare stad voor mensen met kinderen. Een spießige stad, misschien, maar conservativisme en beslotenheid hoeft toch niet altijd negatief te zijn. Wellicht was dit wel de ideale stad om oud in te worden, of een gehandicapt kind op te voeden of zo. We kochten wat bier en gingen ons op de plaatselijke graswijde zetten aan de Aasee.
Het was weer een mooie dag. Overal rondom zaten groepjes jongeren rond een voorraadje bier of een barbecue bij elkaar. De zon staalde en ik nam de gemoedelijke stemming die de omgeving uitstraalde in me op. Nina vertelde over allerlei persoonlijke zaken die voor haar werkelijk belangrijk waren, en ik vond veel aansluiting bij wat ze zei. Ze was niet dom, ze kon uitdrukking geven aan de dingen. Ik had het gevoel dat ik er over alles mee kon spreken. Nina woonde samen met haar gescheiden moeder in een klein appartementje. Ze deelden heel wat intieme details waarvan ik het overigens nooit had kunnen vermoeden dat mensen die met hun ouders of dochters delen. Maar het was eigenlijk wel interessant. Ik moest ze louter af en toe wat remmen. Ze beschreef haar moeder als impulsief en chaotisch, en zichzelf, in contrast, als ordelijk en nuchter vooruitplannend.
’s Avonds (het was zaterdagavond) nam ze me naar een groep vrienden die een BBQ hadden georganiseerd. We dronken en rookten jointjes. Velen konden een beetje Nederlands en ze konden niet wachten het tegenover mij te bewijzen. Zodra ik iets terugzei echter, werden ze verward. Ze draaiden zich dan terug naar enkele vrienden en negeerden me – tot als een ander lid van de vriendengroep de uitdaging aandurfde en me iets totaal basaal kwam vertellen als ‘jan heeft een pet’. Ze konden een basis Nederlands en konden zo net iets meer zeggen als de typische Duitsers, net iets meer dan ‘neuken in de keuken’ en ‘swaffelen’. Maar veel verder ging het echter niet. Ze pochten tegenover de anderen met wat ze kunnen, maar wat ik zei was hun te moeilijk – hoezeer ik mijn woordenschat en de moeilijkheidsgraad ook trachtte te verlagen. Ik sprak dan maar gewoon Duits – ze waren het er allen over eens dat mijn Duits beter was dan hun Nederlands. Het waren kerels van 19. Boven alles was het belangrijk zich tegenover hun vrienden te bewijzen. Ze waren ontzettend voorstelbaar. Ze lachten elkaar uit voor pietluttigheden en maakten vertelden beschamende anekdoten over bezopen vrienden, elkanders verslaving aan masturbatie, en de gebrekkige uitwisseling van blanke en Turkse vrouwen met de Turkse jongens.
De volgende dag moest Nina wat voor school werken. Ik zette me bij in de tuin en we lazen wat samen. Later gingen we naar de haven, een recent gerenoveerde regio met veel hippe moderne architectuur en hippe cafeetjes. We dronken een bier uit een kiosk en babbelden weer wat over de gewoonlijke zaken. Daarna gingen we naar een bar waar een Krimi (een Duitse misdaadfilm) speelde. De bar zat volgepakt. We vonden een zeteltje en dronken een cocktail en bekeken de film. Hier en daar verklaarde ze me een typische uitdrukking, maar ik begreep de film zonder veel problemen. Het was leuk om deze invalshoek op televisie- en filmcultuur mee te maken. Zulke Krimi-avonden worden tenslotte georganiseerd in bars overal in Duitsland.
We gingen terug naar het huis en zetten ons buiten op het terras. We dronken wijn en praatten over seks en verleiding, over haar moeder en haar partners, over echte liefde en lossere relaties. Ze was een open boek. Ik was als een toevallige voorbijganger in haar leven, en ze wist dat wat ze me zei niet de minste consequentie zou hebben. Ik luisterde en becommentarieerde, gaf mijn visie en liet ze testen aan haar interpretatie. We praatten lang, tot ver voorbij haar slapensuur. Ze had ’s morgens les. Uiteindelijk moest er wel een einde aan komen.
Volgende dag stond ik (naar goede gewoonte) tegen de middag op, ik schreef wat, en ging een wandeling maken. ’s Avonds zou Nina laat terugkomen, maar het werd later, en steeds later. Ze liet me wachten. Ze kwam thuis en ik zei dat ook ik meteen wou gaan slapen. Ik had lang genoeg gewacht. Ze verontschuldigde haar. Een vriendin had een verre vriend die zelfmoord had gepleegd en had de hele avond met die vriendin (die zich bedronken had) op een bankje gezeten in de kou. Het was in elk geval niet erg stimulerend. Ik was boos dat ik zo lang had moeten wachten en vertwijfeld omdat ik niet wist wat te zeggen. Ik ging dan maar slapen.
Het mooie weer was wat voorbij. Het regende en was een pak kouder buiten. Ik bleef binnen en plande mijn rit naar Amsterdam. Sri, het Indisch meisje dat ik in Wenen had leren kennen, was me nog niet vergeten, en ik haar uitnodiging ook niet. Ik zou enkele dagen bij haar en haar Erasmusvrienden komen logeren om Koninginnedag mee te vieren in Amsterdam. Het bleek echter moeilijker dan verwacht om een goedkoop transport te vinden. Ook al is Münster slechts 50 kilometer van de Nederlandse grens, er gaat maar weinig verkeer die richting uit, en zoals altijd was de trein bijzonder kostelijk. Ik besloot de Mitfahrten te laten voor wat het was en de dag erop te proberen liften naar Enschede, om daar dan een trein te nemen naar Amsterdam. Zo zou het me relatief goedkoop uitkomen en ik heb dan min of meer zekerheid er te geraken.
Nina vroeg me mee naar een training trampoline. Ze gaf één maal per week les en ik kon zonder probleem meekomen om twee uurtjes mee te springen. Ik nam het voorstel zonder veel twijfel aan. Ik kon zo een beetje sport wel gebruiken, dunkte me. En het deed me ook goed. Het voelde aan als een verlevendiging. Na die eerste dag van opgewekt contact met Nina was ik geleidelijk een beetje ingeslapen geraakt, en was mijn interesse in mijn omgeving wat afgezwakt. De sport deed me goed. Het springen deed de adrenaline opborrelen, en ik verlegde grenzen. Ik voelde me terstond weer al mijn problemen en hindernissen te boven, in een piek van mijn leven, uitkijkend over verleden en toekomst. Ik voelde me monter en kwiek.
Na het sporten meldde Nina dat we beiden uitgenodigd waren door haar moeder en dier vriend op een etentje. Ik probeerde haar uit te leggen dat zo een traktatie wat vreemd is, en ik dat niet zomaar kan aannemen. Nina begreep wat ik bedoelde, als ‘haar couchsurfer’, maar ze zei dat haar moeder dat met plezier deed, en dat ik me niet de kop moet breken op enige vorm van compensatie. Het was goed zo.
Volgende dag schreef ik haar een lief briefje als afscheid en ze voerde me weg, wat uit de stad naar een tankstation, om vandaar dan te liften naar Enschede.
*********************************************************************************
Als ik nu en dan eens een bericht krijg van mensen die dit effectief lezen, doe ik meer moeite om elke blog een coherente indeling te geven, en dus ook bijvoorbeeld van een slot te voorzien. Wat je leest, is een bewerkte (lees: gecensureerd) versie van mijn dagboek. Maar dat dagboek hou ik enkel omwille van mezelf bij. Wat ik online zet is omwille van jou, mijn waarde lezer – en ook omdat het uiteindelijk niet zo’n grote extra moeite is. Aldus kan ik afhankelijk van wie jij bent (en met hoeveel jullie zijn) mijn wijze van bewerken veranderen. Het zou daarvoor echter nuttig zijn om er een idee van te hebben. Ik ben vandaag aan 2/3de van mijn reis, en zou dus nog heel wat zulke bewerkingen kunnen maken, maar de vraag is steeds, wie is mijn publiek? Moet ik meer moeite doen om de occasionele lezer met de ketens van gebeurtenissen vertrouwd te maken of zijn de gefragmenteerde (maar gedetailleerde) anekdotes boeiender?
maandag 22 juni 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten