dinsdag 16 juni 2009

Köln I

Zes maand was ik nu intussen weg van huis. Zes maanden had ik nauwelijks iets in het vooruitzicht gehad afgezien van wat vage lijstjes van steden die ik wou bezoeken en steeds een profielfoto en een korte beschrijving van degene die me met mijn onderkomen zou helpen.

Ik was goed op weg in mijn tocht die ik in Wenen voor Duitsland had uitgestippeld. Van Wenen ging ik richting noordwest, naar Nürnberg, en vandaar naar Heidelberg, en nu was het de beurt aan Keulen – wellicht het dichtst dat ik in lange tijd nog bij ons Belgenlandje zou komen. Later stond nog Münster op het programma, een universiteitsstad waarvan de universiteit al sinds jaren een uitwisselingsovereenkomst met enkele Nederlandse universiteiten heeft. Bovendien is het dialect er Plattdeutsch, een officieel erkende spreektaal in Duitsland die als een mengtaal tussen Nederlands en Duits zou klinken. Ik zou het dus in principe moeten kunnen verstaan. Vandaar had ik de mogelijkheid om even mijn taalbad uit te springen en naar Amsterdam voor Koninginnedag te trekken. Ik hield contact met Sri, een Indische Erasmusstudente die ik in Wenen had leren kennen toen ik bij Evelyn verbleef. Ze verzekerde me herhaaldelijk dat ik welkom was, dat het geen probleem was, en dat het het feest van jaar zou worden, ja het uitgelezen moment om Amsterdam te bezoeken. Ik was zo goed als overtuigd, het stond quasi vast.
Van Amsterdam zou ik dan naar Hamburg trekken, om daarna in Berlijn mijn tocht door Duitsland te beëindigen. Eén maand wou ik daar blijven. Ik had één maand uitgetrokken voor Duitsland en één maand Berlijn. Ik ontlokte steeds een glimlach met die uitspraak – “hehe, alsof Berlijn Duitsland niet is!?” Maar uiteindelijk kreeg ik altijd wel gelijk. Berlijn is waar iedereen die jong en progressief is samenkomt, en dan nog niet alleen uit Duitsland, van over heel de wereld.
‘Carpe diem’ zeggen sommigen – ik zeg: carpe enkele maanden! Maar met dat plan, mijn vaag lijstje van steden vol met ‘misschiens’ en ‘eventueels’, reisde ik onverminderd door. Keulen stond als volgende opgeschreven, en Keulen werd het ook.
Een paar meisjes waarmee ik mijn Mitfahrt deelde hielpen me op weg naar de kathedraal, naar mijn volgende gastvrouw (’t is te zeggen, mijn gast-WG (Wohngemeinschaft)). Ze woonden knal in het centrum, niet verder dan een boogscheut van de Kölner Dom, net boven een kiosk (=als een nachtwinkel, maar dan overdag ook geopend).
Ik kwam toe in een WG van twee jongens en een meisje. Claudi was het meisje die ik via Couchsurfing had gecontacteerd, maar Tobi bleek ook op Couchsurfing te zijn ingeschreven. Ze ontvingen steeds samen als WG. Ze groetten me open en vriendelijk. Tobi zat op een matras die op de keukenvloer lag uitgespreid. We zetten ons bij. Claudi en hij waren vrienden uit de universiteit, ze studeerden beiden Filosofie en Literatuurwetenschappen. De derde Mitbewohner heette Frederik, hij kwam even later bijzitten, hij was een student zang aan het conservatorium. Eén voor één bleken het algauw bijzonder aardige, open mensen, die ook deze tijdelijke gast graag in de warmte van hun kring opnamen.
Maar al snel werd duidelijk dat ik van het ene extreem in het andere was terecht gekomen: van de saaie middelmatigheid van Meike, in de regelrechte mateloosheid van een groepje samenlevende vrienden. Ze stelden klaarblijkelijk veel vertrouwen in hun creatieve oplossingen. Ik werd binnen in het appartement geleid door een gang dat zo ongeveer halfvol stond met lege bierflessen. In het midden stonden twee zetels uit een bioscoopzaal – wellicht op straat gevonden. Verder rechtdoor leidde Claudi me naar ‘mijn kamer’. Dat was haar eigen, mooi en ruime kamer. Daar zette ik dan mijn valies en volgde ze terug, naar de keuken. De muziek speelde uit de badkamer naast de keuken (ja want het is toch leuk te douchen met muziek). De keuken zelf bestond echter uit een groot tablet (vol rommel en onafgewassen borden en potten), een klein salontafeltje, een zetel en een matras. Dit was de gemeenschappelijke ruimte. Dit was ook waar Claudi sliep – op die matras die ook als sofa, als eettafelstoel, en als stapelplaats gebruikt werd.
Maar afgezien van de hele rommel, voelde ik me meer met deze mensen hier verbonden, dan vele van de anderen die ik ontmoette in dat laatste halve jaar tijd. Ze boden mij een bier aan, gingen het halen in de kiosk, en we babbelden gezellig in de keuken, over reizen, talen, filosofie, mijn filosofie van de taal, uitgaan, wat populaire cultuur is, enzovoort. De muziek uit de badkamer speelde house en elektro. Het was lang geleden dat ik dat nog gehoord heb. Het was de radiopost van de universiteit, werd mij verteld, en Tobi en Claudi bleken algauw trouwe fans van de elektrocultuur, waar hun stad overigens ook een reputatie voor heeft. We spraken taboeloos over drugsgebruik en hoe het er in Europa overal nagenoeg eender aan toe gaat. Alleen weten grote delen van de bevolking er hoegenaamd niks van af – maar dat is eenvoudigweg overal hetzelfde.
Claudi en Tobi waren zelf geen grote fans van drum ’n bass (electronisch muziekgenre), maar ze kenden iemand die ons op de gastlijst kon zetten voor die avond. Het was tenslotte zaterdag, en er waren nog geen andere plannen, dus leek dit wel een leuke bezigheid om die avond mee in te vullen.
Het bleek algauw een underground drugsfeestje te worden. De locatie en de hele inrichting waren fenomenaal. Het was donker, prachtig gedecoreerd met flikkerende kleurrijke fluorlichten. De muziek was beenhard. Het was het soort drum ’n bass dat men destijds in Gent pas tegen de ochtend begon te draaien, wanneer enkel nog de echte nachtbrakers overbleven. Hier was het de hele avond van dit niveau. Maar niet louter obscuur, ontoegankelijk bleek het echter ook. Claudi ging zitten en raakte niet meer recht de hele avond. We dronken wat biertjes, ik liep wat rond, en Tobi en ik dansten, terwijl Claudi echter van een afstandje toekeek. Ik sprak niemand aan, en ik voelde me daar ook nauwelijks toe aangetrokken. We gingen niet te laat door en dronken nog een biertje uit de kiosk.
De volgende dag was het stralend weer. We namen al vroeg onze spullen en gingen ons installeren op een grasveld naast de Rein. Het was werkelijk heet. Ik had nog steeds enkel lange broeken. Ik moest dringend zomerkledij laten opsturen. Tobi vond het ook te warm en we trokken alles uit tot op onze boxershorts. Claudi stoorde haar daar niet aan. Met z’n drietjes praatten we en wisselden we vrolijk van gedachten. Het was heel aangenaam, alle factoren waren aanwezig, het voelde als een perfect zorgeloze zomervakantie. Een vriend van de groep kwam erbij (ook Tobi genaamd) en rolde een joint. We speelden wat frisbee en hacky sack en ik introduceerde hen aan ‘het spelletje met het verhaal’. Iedereen vertelde zo één zin (of één scene) en zo bouwden we samen een verhaal – weliswaar vol met eigenaardige kronkels. We rookten nog een joint en lachten uitbundig om onze, eerlijk gezegd eerder dwaze, ideeën. We speelden een spelletje hacky sack waarbij iedereen die het ding ophoog schopte een woord moest zeggen dat grammaticaal na het vorige paste, om zo weer een verhaaltje te vormen. We experimenteerden met dialogen en maakten tal van creatieve grappen met de hacky sack en later met enkele ballen. Wanneer het donker werd speelden we wat met een fototoestel en zaklampjes en schreven we zo figuren in de lucht (light graffiti).
Het was een perfecte dag. Ik voelde me licht en makkelijk aanvaard. Het was alsof alles wat ik deed eenvoudig, zorgeloos en luchtig was, alsof ik eenvoudigweg koers behouden moest, ja, alsof het doel ongehinderd, als vanzelf op me toenaderde.
Zo ging ik door. Volgende dag probeerde ik die inspiratie van mijn gemoed aan te wenden in wat ik als productief beschouw: ik las en schreef wat. Ik kwam van de hele dag de flat niet buiten.’s Middags kwam Claudi terug. Ze las wat bij mij in de keuken. Na een tijdje begon ze me echter af te lijden met allerlei vreemde vragen. Ze vroeg zo bijvoorbeeld of ik denk dat ik met haar zou willen slapen; of ik dat al gedacht had; of ik me zou kunnen voorgestellen hoe het zou zijn om met haar te slapen, en; of ik het me al voorgesteld had. Haar vragenreeks overviel me een beetje. En de voorzichtigheid waarmee ze de vraag formuleerde, kon ik moeilijk overbrengen in mijn antwoord. (Al die modale werkwoorden! “Hattest du es dich jetzt schon gefragt ob du es möchten würdest, wenn wir zusammen schlafen würden?“) Hoe dan ook, ik antwoordde eerlijk: „tzalwelzijn!“ En ik vertelde haar dat elke man zulke mogelijkheden voor zichzelf aftast, al is het slechts in de heimelijke intimiteit van zijn verboden gedachten. Ik had me er natuurlijk geen concrete voorstellingen van gemaakt, maar ja die mogelijkheid voelde aan als een open mogelijkheid. Zijzelf had het zich, toen ik haar de vraag terugstelde, nog totaal niet voorgesteld. Nu ja, mijn vraag was nu eenmaal ook niet zo voorzichtig geformuleerd. Op zo’n moment is het handig de taal als schuldige te kunnen aanwijzen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten