vrijdag 21 november 2008

Welkom in de transitzone

Ik had een rendez-vous met het Zweeds meisje dat ik had leren kennen L’Australien op de Comedie, het centrale plein in de stad. Karin heette ze. Ik was wat bang dat ik ze niet zou herkennen, maar zodra ik haar zag wist ik het weer. Groot, bruin haar, heldere felblauwe ogen. Mijn ietwat vervaagde herinnering werd levend. Ze was net gekleed en licht gemaquilleerd.

Ik groette ze met drie kussen, ‘de Franse manier.’ Ze zei me dat ze verkouden was. (Ik vroeg me af waarom ze dat zei, ze leek me helemaal niet ziek.) Ze botste herhaaldelijk zachtjes tegen me aan, en ze bleek niet verlegen te zitten om wat lichamelijk contact. We liepen naar de Jardin des Plantes. Er was heel wat meer volk dan de dag voordien, maar we hadden een aangename tijd. We gingen op zoek naar een spook dat ze dacht gezien te hebben de nacht voordien. Ik maakte veel grapjes en zag overal aanknopingspunten om van onze omgeving een grappige plaats te maken. Mensen in het park met dreadlocks die op een grasperkje zaten te keuvelen werden zo een plantensoort genaamd ‘pelouse’ enz. (De Jardin des Plantes staat vol bordjes, en op het grasveld staat ‘Pelouse’.) Na het park liepen we wat door de stad, pratend, rondkijkend. Ik voelde jaloerse ogen op mij gericht worden. Een vreemd gevoel: ik ben niet gewent om meisjes als mijn eigendom te beschouwen, en al zeker niet om ze als zodanig te verdedigen.

We kochten en pannenkoek en gingen weer in het kleine parkje zitten waar we onze wandeling begonnen. Ze zei wat dingen waarvan ik verschoot, cynisch dingen, dingen die van een sterk relativeringsvermogen getuigden, dingen waarmee ik me makkelijk kon identificeren.

We namen wat ongemakkelijk afscheid. Het drong tot me door dat die verkoudheid die ze beweerde te hebben een excuus was om me niet te moeten kussen. Ze had zich wellicht voorgenomen me niet te kussen. Misschien was ze bang om te emotioneel gehecht aan me te raken.

Terug op het appartement was ik wat moe en afwezig. Ik had weinig zin om bellotte te spelen of om me in hun conversaties te verdiepen. Het was ook moeilijk om me uit te drukken in het Frans, na een hele middag in het Engels te babbelen. Ik vertelde het hun ook dat het voor mij veel moeilijker is om me in het Frans los, genuanceerd of met humor uit te drukken. Sylvain nodigde me uit om het volgende weekend mee te gaan kamperen in Lozère, één van de dunst bevolkte departementen van Frankrijk, een goede honderd kilometer ten noorden van Montpellier.

De dag erop namen Sara en Chareline afscheid. Er bleef weinig volk over in het appartement en ik nam een dagje rust. ’s Avonds gingen Alex en ik gingen mee met Sylvain naar Jimmy, de organisator van het weekend. Ze gingen het weekend voorbereiden. Jimmy bleek een echte extreme-sport-liefhebber. Groot, gespierd, en zijn kamer hing vol van foto’s van klimpartijen, waaghalzerij met ski’s, mountenbikes, surfplanken... Hij verwelkomde me joviaal. De planning ging grotendeels aan mij voorbij. Ik ving wel op dat het wel koud en nat zou zijn – niet ideaal. Maar we zouden met 18 zijn, 18 biologen. En dat leek me leuk te worden.

Ik had de volgende dag een afspraakje met Karin op 15u30. Ik maakte me klaar en ging naar haar. We wandelden wat en gingen iets drinken. Het verliep niet zo vlot als vorige keer. Ik had wat teveel met mijn neus in de boeken gezeten en was wat verdwaasd.

De ochtend nadien werd het vroeg: ik ging mee met Sylvain naar de les. De ‘Fac’ was een enorme keten van grote balkvormige klokken, verbonden door een netwerk van overdekte wandelpaden. Alles in beton, duidelijk architectuur van de jaren 70. Ik ontmoette enkele van zijn vrienden, enkele jongens die er de volgende dag ook zouden zijn in Lozère. In de les waren een 20-tal andere studenten. Het was leuk om eens een verzorgd Frans te horen praten. Ik voelde me al snel ‘terug op school’ en de sfeer voelde opvallend vertrouwd aan. Ik kon mijn aandacht er evenwel moeilijk bijhouden. De conservatie van geneeskrachtige plantensoorten in Nepal boeit me dan ook niet echt. Ik maakte een schema van wat ik zou doen de komende weken en ik schreef wat gedachten neer over de ‘Franse tijdsgeest.’

’s Namiddags liep ik wat rond in de transitzone die ooit een stad was. Het is een moderne stad, met vele blitse architecturale constructies waarvan het doel aan me voorbij ging. Er was veel wind en het was koud. Hoofden werden diep in vestkragen teruggetrokken en mensen liepen in een druk tempo. Maar wat immer constant leek te blijven waren de bendes twintigers, die als clochards gekleed met grote, ruige honden, onbeschaamd halve liters bier drinkend bivakkeerden te midden van drukke winkelstraten. Hun doel of boodschap bleef me bijster. Wat we wel duidelijk werd, is dat ze in een stad leven waar weinig werk is voor ongeschoolden. Montpellier is een studentenstad met weinig of geen industrie. Naast wat werk voor de gemeente of schoonmaak zag ik hier weinig uitwegen uit de armoede. Bovendien maakten ze de stad nog killer dan ze al was door hun vijandige aanwezigheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten