dinsdag 17 maart 2009

Zijn dood als gebeurtenis in ons leven

Het was vroeg opstaan om naar de begrafenis te gaan. De kerk was koud en de mensen wat kil. Ik hield er niet zo van om medelijdend te bekeken te worden, alsof mijn verlies zoveel erger is als dat van hen. Ik ergerde me vooral aan het behagen, alsof ze mij willen sussen in mijn verdriet. Ik trok me wat op aan mijn tekstje dat ik voorbereid had, en hoopte het weemoedig gesnik en het hopeloos hypocriete medelijden weestand te bieden, voor hen zelve, maar bovenal voor mezelf.

Ondertussen probeerde ik mijn boers en neven en nichten naast mij uit elke neerwaartse spiraal van treuren en verlies weg te houden. Ik maakte mopjes over de oppervlakkigheid van de ernst van de meesten. Ik keek uit naar het moment dat ik mocht spreken, maar ik keek er minstens evenveel tegenop. Ik ontraadde mezelf dat het om mij ging – om mijn spreken. Het ging om de nagedachtenis van hem, van mijn grootvader. En daar wou ik het over hebben: over mijn grootvader.

Het moment naderde, de spanning steeg. Ik luisterde gespannen naar de priester en ergerde me aan zijn woorden. Ik articuleerde mijn woorden van ergernis bij mezelf, enigszins opzettelijk, om mijn zelfvertrouwen er wat mee te voeden. En dat hielp. Want toen ik daar uiteindelijk kwam te staan, met dat grote publiek in mijn richting starend, voelde ik mij niet meer dat kleine jongentje dat op de autoriteit van de ouderen rekende, ik voelde me vrij, ik voelde me die jongman die filosofie studeerde en nu op zijn eentje door Europa reist, die jongeman die klaarder denkt als die priesters, en zijn gewicht achter zijn stem schaart, zonder de nood te voelen het in de schoot van een godheid te werpen om zijn spreken te legitimeren. Ik voelde me als iemand die er staat, als iemand met een zekere levenservaring, iemand naar wie je zou luisteren. En zo sprak ik ook. Ik hoorde mezelf nog nooit zo zeker spreken, en ik luisterde vol ongeloof naar de galm van mijn stem in de speakers:

Mijn opa. - Iedereen hier aanwezig is iemand verloren. Ik ben mijn opa verloren. Mijn opa. Niet 'zo'n opa', geen man waarvan de wereld er zovelen telt, maar mijn opa. Een gniffelende oude man, zittend achter een schrijftafeltje, geamuseerd spreukjes aan het neerschrijven. Dat is mijn opa, mijn opa Mick.

Uit zijn mond, uit zijn mond en uit zijn pen, stroomden steeds weer die dartele spreukjes, die gevleugelde toespelinkjes, die fleurige gedichtjes, die gekruide mopjes... Daarvoor wil ik hem gedenken. Want in die activiteit gaf hij zin aan het leven. Hij gaf zin aan mijn leven. Ik luisterde en las wat hij dacht; ik léés wat hij dacht! en in mijn hoofd hoor ik de nuances in zijn stem weerklinken, even levendig als tevoren, met diens lach en diens venijn, met diens geluk en diens verheven gezwijmel!

Hoe graag hij ook had blijven voortdoen, hoe graag hij ook had blijven voortdenken, voortlachen: aan zijn creatieve productie is nu een eind gekomen.

Maar wat hij losgemaakt heeft, wil blijven bewegen. Het beweegt zich vanbinnen. En onder geen beding mogen we die beweging laten bevriezen. Mijn opa spreekt in mij en door mij. Zijn persoon, zijn karakter, zijn gemoed beweegt zich in mijn woorden; hij richt mijn blik, mijn aandacht; en hij merkt bij me op wat voor moois daar weer aan de horizon verschijnt. Mijn opa houdt van woorden met vleugels, woorden die in onafgebroken vrijheid speels rondfladderen. Laten we de ernst niet ten koste van de beweeglijkheid van zijn woorden laten gaan. Want elk van die woorden herbergen kleine zinvolle partikels van zijn attitude, zijn gemoed, zijn persoon, zijn vuur.

Hem te gedenken betekent hem te eren, het betekent dat we een ode brengen aan het vuur dat hij heeft achtergelaten. Hij heeft iets geschapen, en het in onze schoot achtergelaten: een vuur. En dat vuur blijft voortbestaan, dat vuur beweegt zich nu in mij. Het flakkert op telkens ik iets van hem terugzie, telkens ik zijn woorden uitspreek. Laten we hem daarin gedenken. Laten we mijn creatieve opa gedenken, en zijn vuur. Dat het nooit moge uitdoven.

Na het tekstje had ik moeite om niet te glimlachen, om mijn prestatie niet tot een persoonlijke prestatie op te kloppen, de trots in te dijken en het tot de nederige hommage te houden die het hoorde te zijn. Ik spande mijn lippen en de glimlach trok weer weg. Teruggekomen bij mijn broers en neven had ik het evenwel moeilijk om wat ik zojuist gedaan had niet als een prestatie neer te poten, met de boodschap: laat nu eens zien wat jullie kunnen. Maar ik hield me kranig, en ik liet me niet ophemelen – of ik liet het althans niet merken. – Het was tenslotte allemaal voor hem.

Na de mis gingen we naar het crematorium. Er werd niks gezegd. Iedereen ging in een halve cirkel zitten met centraal zijn doodskist, enkele mooie foto’s en een bos bloemen. Het was het moment van laatste afscheid. Ik had het evenwel moeilijk met die idee. Laatste afscheid: wat moge dat betekenen? Alsof zijn ziel naar de hemel opstijgt nadat we zijn levensloze lichaam een laatste groet hebben gebracht? Neen, laatste afscheid lijkt zoveel meer in te houden. Die foto’s, dat georkestreerde moment van bezinning, het gaf de indruk dat alles hier en nu zou veranderen. Alles wat we kenden, hij, die we zolang kenden, en alles wat er in verband toe stond, het zou nooit meer hetzelfde zijn. Die foto van hem met zijn vrouw, ons moeke, met elk een tevreden glimlach op het gezicht. Een diepe treurnis overviel me en voor het eerst dacht ik voorbij het leed dat mezelf hier werd aangedaan en dacht ik aan de ontstellende leegte die dit mijn grootmoeder moest achterlaten. Alsof een tegengewicht uit een stabiel verouderde weegschaal verdwijnt: nooit zal die weer recht hangen, hoe schoon schijn ook lijkt. Het gemis is onherroepelijk. Ik had het moeilijk. Vanuit het moment herdacht bleek mijn tekstje meer voor haar dan wie dan ook. ‘Mijn opa’, was niks dan een reflectie op het existentiële anker die hij met mij uitgeworpen had. En zo betekende ik en mijn woorden iets duurzaams in die wereld waarin hij en zijn creativiteit hun vergankelijkheid hadden bewezen.

Na het bezoek aan het crematorium gingen we een eenvoudige broodjesmaaltijd eten in een restaurant waar hij altijd graag ging. Het was eenvoudig maar iedereen was er en daarmee werd het doel bereikt. De sfeer was ontspannen en voor mijn part had het niet beter gekund. Geen hypocriete uitingen van medelijden. Na het eten werd er nog eens meegegaan met moeke om van haar vervolgens op een gemoedelijke manier afscheid te nemen. In zekere zin zag ik daar een andere vrouw, een volledigere vrouw. Er was geen sprake meer van zelfopoffering wegens opa’s lijden. Ze was weer vrij. Met een ietwat dubbel gevoel drong de voorstelling zich aan me op, van haar, alleen, in een herwonnen zelf, op weg naar een eigen geluk – alsof ze pas vandaag kon zeggen ‘vandaag begint de rest van mijn leven.’ Ik zag hoop, en in zekere zin was dit een hoopvolle dag. Een einde van de medelijden waar mijn moeke jarenlang door werd geteisterd. Nu stond haar lijden weer centraal, haar lijden, haar stemmingen, en haar voorkeuren. Want ondanks alles, leek ze zeer stabiel te staan. Ze was er klaar voor.

Dit hier allemaal vrij te geven, is niet vanzelfsprekend. Het is intiem. Voor mij en mijn verhaal is het niettemin tekenend. Het is alsof ik van een levensstijl die werd gestuurd door niks meer dan het uiterst voorlopige in een ander extreem geworpen werd, dat van leven en dood. Die overgang was hoegenaamd niet naadloos. Mijn terugkeer voelde verkeerd aan, alsof ik hier niet moest zijn. Ondanks alle beproevingen die ik doorstaan had, was het alsof ik nooit weggeweest was, alsof ik nog steeds die kleine Johannes was, beschermd door familie, door het noodlot gestuurd. Maar ik deed mijn best om alleen te staan, ook thuis, ook in de familie, en ik wou het gewicht van mijn woorden en daden zelf dragen, opkomen voor hetgeen waaraan ik belang hecht, zoals mijn opa en zijn creativiteit, en bij uitbreiding elk van de familieleden in mijn relatie die ik ermee heb.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten