zaterdag 14 maart 2009

Na drie en halve maand veilig veel te veilig thuis

Drie maand en een half had ik er niet meer aan gedacht, maar ik kende mijn bed nog steeds met mijn ogen dicht, ik voelde me vertrouwd met mijn bed zelfs als ik sliep. Ik werd wakker in het bed met het gevoel dat er nooit iets veranderd is.

Het voelde wat ongemakkelijk. Is dat nu allemaal voor niks geweest? Het was alsof al mijn nieuwe ervaringen en al mijn nieuwe reflecties en ideeën botweg tot niks hadden geleid, alsof ik gewoon terug herviel in mijn doordeweekse verslaving der gewoontes. Ik stond op, controleerde mijn mails en ging naar beneden. Niks was er veranderd. Ik opende de ijskast en ging in een ontbijtritueel op zoek naar mijn favoriete ontbijtingrediënten. En zo boog ik me over de koelschappen en speurde ze routineus af. Ik werd echter tot een toegeving gedwongen: er was toch iets veranderd: er was geen fruitsap meer.

Dit werd het eerste dat me eraan herinnerde dat ik drie en een halve maand niet meer thuis was geweest. Ik ging zoeken in de berging. Eveneens tevergeefs. Ik probeerde me vervolgens het rek in de berging in te beelden: drie maand geen fruitsap daar op die plaats waar ze altijd heeft gelegen. Nieuwe auto’s, nieuwe gsm’s, dat soort dingen. Heel belangrijk. En nog belangrijker was het feit dat onze huishoudster mijn kamer nu om de twee weken kuiste, in plaats van om de week – zo antwoordde ze op mijn vraag naar wat er veranderd was. – Geen ingrijpende zaken dus.

Enkel mijn grootvaders overlijden. Niks is ingrijpender dan de dood. ’s Middags gingen naar ‘moeke en opa’ (zoals we die plaats al altijd noemden) maar nu zonder opa – wel, zijn lichaam was er wel nog, of een soort van stoffelijk residu van zijn persoon. Maar het verlies voelde zo absoluut. En ik kon er niet meer bij voelen dan dat het een groot verlies was.

Moeke (zoals we onze grootmoeder al van kinds af noemen) praatte met mijn moeder en haar zussen en broer over allerlei nuttige en interessante zaken. De stilte vanwege de anderen en mezelf verplichtte ons mee te luisteren. Ze leken ons niet toe te laten zichzelf te verpletteren onder het overweldigende leegte die zijn verlies op ons had nagelaten. En stilaan realiseerde ik me dat ze gelijk hadden, dat ik me niet moest laten verpletteren op die manier, dat dit verlies een feit was, en dat het leven – ons leven – verder gewoon haar gangetje zou blijven gaan. Al de rest is literatuur – drama.

‘s Avonds gingen we samen eten. Ik at mosselen met Geuze bereid, met natuurlijk frieten erbij, en ik kon nu eens door de ogen van een Fransman naar een dergelijk typisch Belgisch gerechtje kijken. Het was één van opa’s lievelingsgerechten. Ik liet het me smaken, enerzijds als een soort van ode aan zijn levenskunst, en anderzijds wetende dat dit iets was om trots op te zijn, onze Moules frites.

Ik wou dat weekje dat ik thuis was gebruiken om te doen wat ik anders niet kon. Ik wou verder doen met wat ik deed, maar dan met bekende mensen, en mobiel, met een auto. Ik wou van de tijd gebruik maken om nu eens af te spreken met vrienden en ook in andere Vlaamse steden. Ik sprak af met Felix, een neef, om eens Brussel te verkennen van bij hem. Later sprak ik ook iets af met Birgit, en ik belde Bert op voor een update op zijn leven.

Er waren nog zovele dingen die ik wou doen in die week. Maar eerst van al moest ik een vlucht regelen naar Wenen. Ik had nood aan een plan, een concreet plan, en ik vond uiteindelijk een vlucht op donderdagochtend de volgende week, om 7 uur ’s morgens. Ik zond een mail naar Zulema.

Zulema is een Peruviaanse vriendin van Ben. Ze hebben een liefdesgeschiedenis en de hele connectie via Ben is wat een lang verhaal, belangrijker is dat we drie toffe dagen samen hadden doorgebracht in Verona een jaar en een half voordien, en dat ze in tussentijd lid was geworden van couchsurfing. Ze schreef overigens één van mijn eerste referenties op de site (een positieve referentie, wat nuttig was om ‘couches’ te vinden) en ik observeerde haar sindsdien een beetje via de site. Ik zag zo bijvoorbeeld hoe geëngageerd ze was voor het project dat couchsurfing eigenlijk is. Ik keek ernaar uit terug te vertrekken, en ik hoopte dat ik via haar in een concreet vriendennetwerk zou terecht komen. Ik zou er tenslotte meer als een maand blijven.

Ik had beloofd Arthur (mijn jongste broer) te helpen. We verhuisden zijn spullen uit zijn kamer in Gent voorlopig naar een ander kamertje, zodat de ramen daar konden vervangen worden in tussentijd. Arthur was niks veranderd, en mijn relatie met hem, zijn getreuzel, mijn gezaag, het was allemaal niks veranderd.

’s Avonds zag ik Bert weer, een vriend, achterneef en oude schoolkameraad. Ondertussen was die al een drietal maand aan het werk bij IKEA als verkoper van kindermeubelen. Naast al zijn dromen was dit wel iets pijnlijks concreet. Zelf had ik het nooit kunnen voorspellen – alhoewel ik eigenlijk niks kon voorspellen als het op Bert aankwam, buiten nog meer onwereldse dromen.

Hij woonde nu ook bij zijn zus en haar vriend. Ik ging hem daar ophalen. Hij had een cadeautje voor mij, een klein hervulbaar drankflesje dat net in mijn borstzakje paste met een Russische inscriptie op (dat volgens hem ongeveer zoveel betekende als ‘samen drijven, samen drinken’). Ik kreeg op slag schrik om een alcoholist te worden.

Het werd een gezellige avond. We praatten over de afgelopen maanden, over reizen, ik over de mijne en Bert over die van hem, en Bert vertelde verder over zijn plannen om een merk op te starten. Ik had die ideeën vroeger al veel in het belachelijke getrokken, met zijn frisbees, zijn koffiemachines en zijn petje. Nu werd er minder gelachen en hij vertelde me waarop hij de laatste maanden had zitten kauwen. Het zou niet zozeer om de producten gaan, zei hij, als wel om de filosofie van het merk. Die zou niks dan optimisme inhouden, vertelde hij, - een nogal zweverig optimisme, als je het mij vraagt. Het gaat om zon, plezier, samenzijn met vrienden enzovoort. Om weer wat tegengewicht te bieden vertelde ik hem dat Nietzsche met diens notie van het lijden zowat het lijnrecht tegenovergestelde beweerde. Is Fredrichsken dan verkeerd? Neen, ik denk het niet. Lijden zet je met je voeten op de grond. En zo met wat tastbare grond onder de voeten wou ik Bert wel helpen, en zodus probeerde ik hem het lijden als iets positiefs te doen erkennen.

De volgende dag had ik afgesproken om eens bij Felix te couchsurfen in Brussel. Felix is een dj, net als ikzelf. Hij liet me plaatsnemen achter zijn draaitafels en ik maakte enkele mixjes met zijn platen. Ik voelde al snel dat ik dit niet verleerd was. Eens een dj, altijd een dj. Maar ik kende het materiaal niet en ik had niks om naar vooruit te kijken, en niks bijzonders om te laten horen, en dus liet ik Felix wat zijn gang gaan. Hij heeft duidelijk een andere invalshoek om de hedendaagse muziek, bedacht ik. Wellicht heeft dat ook met zijn omgeving te maken – iets wat ik nooit eerder op die manier bedacht – maar wellicht is de moderne Brusselaar iemand die als Felix met een wijdde diversiteit aan stijlen in aanraking komt en daarin dan wat naar een toekomst als dj zoekt. Logisch. Elke plaats zijn mentaliteit: in Gent de techno- en undergroundfeestje en rondom de festivalletjes, en in Brussel de Wereldmuziek van langs alle kanten, van de plompe Balkanbeats tot de grillige Braziliaanse dansdeuntjes.

Later gingen we uit naar een cafeetje. We dronken een pint in Walvis, een alternatief café dat helemaal in de sfeer van de jaren 70 werd ingericht, iets typisch Brussels, typisch Belgisch. Ik herwon in mezelf een soort van Belgische nostalgie, iets waarin ik me kan verbinden met dit keutervolkje.

De volgende dag deed ik een wandeling in Brussel – zo een wandeling die ik in tal van steden in het zuiden van Frankrijk had gedaan. Nu wou ik eens naar Brussel kijken als ‘mijn stad’, of dan toch tenminste ‘mijn hoofdstad’, en een stad waarmee ik me identificeer.

Ik wandelde wat heen en weer en vond een kaartje in de toeristische informatiedienst. Het weer was behoorlijk stabiel, voor het eerst, om eerlijk te zijn, in die hele tijd dat ik terug thuis was. Ik voelde me als een toerist, en ik gedroeg me overeenkomstig.

In de late namiddag ging ik naar moeke. Daar zou ik de nacht doorbrengen. Opa was opgeborgen in een kist, maar zijn dode lichaam lag nog steeds in de woonkamer. Agnes, mijn moeder en een nicht van hen waren er. Moeke zelf was naar een schoonheidsspecialiste om zich te laten mooi maken voor de begrafenis.

Ik had mijn computer mee en ’s avonds chatte ik met Eric op msn. Lyon leek nooit eerder zo dichtbij, en ik had nooit eerder kunnen inschatten dat die vriendschap met Eric zo grensoverschrijdend zou zijn.

De volgende dag hield ik het rustig. Het was de dag voor de begrafenis. ’s Avonds bekeek ik een film en probeerde mijn tekstje dat ik voorbereid had eens op te zeggen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten