zaterdag 7 maart 2009

Skivakantie. -

Alles liep wat vertraging. Intussen hield ik me bezig in de keuken. Joachim was een ‘ski de rando’ (een trektocht op ski’s) gaan doen en Mariangela was weg met een vriendin. In afwachting van ‘de mannen van Leerne’ werkte ik wat aan mijn teksten. Uiteindelijk kwamen ze toe in de namiddag. Jeroen liet het even rinkelen en ik ging naar buiten.

Er leek niks veranderd. Janez, Jeroen en Sigrid leken nog krek diezelfde mensen als de dag dat ik ze laatst zag voor mijn vertrek. Wat droogweg groetten we elkaar en we stapten in. De baan kronkelde langzaam een weg een naar boven en ik schouwde alles van op de achterbank aan. Sigrid zat naast me, en de jongens waarschuwden haar voor misselijkheid. Het ging wel, zei ze, en de auto schommelde verder van links naar rechts, klom en daalde. Ik trachtte ondertussen het spervuur aan vragen te bemeesteren. ‘Hoe gaat het?’, ‘Maar in het algemeen: hoe gaat het in het algemeen?’, ‘En vallen die mensen waarbij je terechtkomt wat mee?’, halve antwoorden werden afgebroken door nieuwe vragen en ik probeerde me tevergeefs tegen de stortvloed op te werken. Maar wat misschien belangrijker was, waren de vragen zelf. Er lag meer betekenis in de gebeurtenis van het vragen dan in hetgeen ik erop zei. Men had op dit moment geanticipeerd, en ergens had die vertrouwde oude manier van vertellen iets nostalgisch. Ik had ze zelf ook gemist: die slappe moppen grove toespelingen die er steeds halvelings op uit waren hen in hun ietwat rigide burgerzin te raken – maar nooit vermocht te treffen, of dan toch niet waar de anderen bij waren.

We kwamen snel toe in Les Saisies. Het was er behoorlijk groot, en er lag overal een dikke pak relatief verse sneeuw. De zon scheen al lager aan de horizon, maar ze scheen, en dat deed goed. We wachtten Eric en de anderen op in het dorpje. We wisten niet waar we het chaletje moesten gaan zoeken.

Erik kwam toe met zijn overladen Peugeot. Elke vierkante centimeter van zijn break werd benut en om elke twijfel weg te nemen en welovertuigd over het laadgewicht van de auto gaan, was er ook nog een koffer op het dak geplaatst. Hij parkeerde zich op een bushalte. Vier mensen stapten uit. Ik kende er enkel Elise van, Eriks vriendin. Een man ging Erik zeggen dat hij daar niet mocht parkeren. Ik ging nog vlug even gedag zeggen.

Eriks passagiers waren allemaal Franstaligen (wel ja, “Frans”taligen, ik bedoel Walen). Het waren twee vriendinnen van Elise, en één van die vriendinnen had ook haar vriend mee. Het was voor de meesten onder hen de eerste keer dat ze op wintersportvakantie kwamen. Elise had het vroeger wel nog veel gedaan, maar ondertussen was het al even geleden.

We gingen op zoek naar het huisje. Niet zonder moeite, maar we raakten er uiteindelijk wel. Dan nog die laatste hindernis, binnenraken, en dan kon het feest beginnen. Het was er perfect. Net, ruim, luxueus, gezellig, helemaal zoals we het konden wensen. We begonnen al snel aan de aperitief en de toon was algauw gezet voor een gezellige eerste avond.

Volgende ochtend gingen we de skipassen halen. Het was heel wat minder mooi weer als de vorige dagen. Het waaide en het zonlicht zat verstopt achter zware grijze wolken. We schoven aan in een rij voor het loket waar we één voor één een 170tal euro’s neertelden voor een skipas. Een oude man verkondigde dat het de hele week zeer slecht weer zou zijn en dat vele van de liften wellicht gesloten zullen worden door de wind. Het was nefasts voor de sfeer, vooral omdat het nog wel eens zou kunnen kloppen ook. Er heerste algauw een lichte paniek over de groep en niemand kon ons enig soelaas bieden.

Ik was blij om op mijn plank te staan. Weg van dat alles, weg van die benepen groepsdruk. Ik genoot van de snelheid waarmee ik over de platte, opvallen effen pistes gleed. Ik maakte mijn eigen lijnen, mijn eigen, veel te rechte, lijnen – recht naar beneden. Ik hield ervan alleen te staan, en het gevaar op niemand anders te laten wegen dan mezelf. Een eigen lijn, niet zoeken een ander te behagen: het heeft iets existentialistisch, het gaat ver voorbij verantwoordelijkheid.

Verantwoordelijkheid kwam wel terug onder een andere vorm, onder de vorm van de afspraken die in de groep werden gemaakt. Ik hoorde niet bij de autoriteiten bij de groep, en mijn argumentaties ook al niet. Veelal werd enkel een conclusie gepresenteerd. Geen overleg. Voorstellen werden afgebroken door een ‘voor mij is het eender’ en uiteindelijk betekende dat dat we een eenvoudigweg arbitraire oplossing kwamen te aanvaarden.

Maar de groepsmechanismen buiten beschouwing gelaten, was die eerste dag een volmaakt succes. En de dagen volgden elkaar op. Ik deed van langsom minder moeite om de groep te mobiliseren met voorstellen en viel terug op een nog even botte vorm van autoriteit. ‘Het is langs daar – omdat IK dat weet.’ Tjah, in zekere zin was de groep immobiel. Ze was te groot, en ze werd meer dan door wat dan ook geleid door arbitraire beslissingen – meestal in de formule van ‘het is mij om het even maar misschien kunnen we XXX doen’.

In zekere zin waren mijn vrienden hier enkel om hun verwachtingen in te vullen. Ze waren hier niet om te overleggen of iets samen te doen, een plan te creëren, en in onderling overleg iets productief te doen. Ze hadden weken- of zelfs maandenlang op het vooruitzicht van dit weekje in de sneeuw zitten kauwen, en ze stonden op, niet omdat ze samen in de sneeuw wilden spelen, maar omdat ze wouden realiseren wat ze verwachtten. Men skiede niet meer op sneeuw, maar men borduurde voort op het geïdealiseerde beeld van een skireis dat men had leren koesteren. Het was boven alles een sociaal concept, een concept boven alles gevormd werd door een ‘wacht tot als ik dit aan mijn vrienden vertel’, een concept dat hoog uittorende boven die zweem van primaire natuurervaring die het ooit dat grote gewicht gaf.

In al die jaren dat ik het snowboarden als een persoonlijke hobby beschouwde, onderzocht ik mezelf voor het eerst met dat als een kritische wetenschap ter hand. De waarde die al jaren aan het snowboarden hechtte, stootte op een nieuwe bodem. Ik hou van samen spelen in de sneeuw, en ik hou van mooie sneeuwlandschappen, maar ik werd er me van langsom meer van bewust dat pistes afracen niet meer in me losmaakte dan wat ijdele adrenaline – en ook aan die adrenaline hechtte ik van langsom minder waarde. De lelijkheid van het geïndustrialiseerde skidomein, de druk op het inlossen van de verwachtingen, en ten slotte ook de schijnbare willekeur van de groepsbeslissingen: ik voelde me leeg en afgestompt, als een pastoor in een bordeel. Er was niets waarvan ik hield – het was me geen uitdaging meer.

Naar het einde van de week toe werd ik er van thuis uit op de hoogte van gesteld dat het wellicht mijn grootvaders laatste dagen waren, en ik begon op een B-plan te kauwen. Ik keek er tegelijkertijd meer en meer naar uit om terug op pad te gaan, om Joachim en Mariangela terug te zien en me weer tussen hun vrije geesten te bewegen. Plan B zou mijn verblijf in Parijs in het gevaar brengen.

Ik had lange, zielshelende telefoontjes met mijn grootmoeder. Ik voelde me er heel pak minder ver door. Zijn nakende dood was onvermijdelijk, hoe dicht of ver ik er ook van verwijderd was. En ik troostte me met de gedachte dat er toch niks na de dood was, en dus een laatste groet aan zijn sterfbed, voor hem helemaal geen betekenis zou inhouden. Want zijn betekenissen zouden algauw met hem meesterven. Het enige wat erin van belang zou zijn is zijn laatste woord aan mij, en de laatste woorden die ik van hem had gelezen waren al voldoende; ze ademden zijn hartstocht op een integere wijze in mij richting. Ik kon niet meer verlangen. Ik zou overigens wellicht lelijke beelden aan zijn laatste lijdensweg overhouden. Ik wou hem niet gaan bekijken, helemaal gedrogeerd, onzin mompelend, een kinderlijke schrik voor de dood bestrijdend. Ik was bang dat zijn schrik voor de dood zijn waardigheid – en mijn beeld daarvan –in het gevaar zou brengen.

Iets van mij zou met hem sterven. Iets zeer intiems, en ik wou dat ook onaangeroerd laten. Ik was wel gerustgesteld dat ik een vriend als Erik in mijn bijzijn had. Hij getuigde van een oprechte deelneming die me ergens geruststelde: ik was niet alleen. Het was geen simpel behagen ditmaal.

De dag van de terugweg kreeg ik uiteindelijk bericht dat het gedaan was. Ik had mijn zakken al gemaakt: één die naar Leerne meekon, en één waarmee ik naar Albertville en daarna naar Parijs zou doortrekken. Bleek dat ze beiden naar huis zouden gaan. Dit betekende voor mij het einde van mijn ‘tour de France’ – voorlopig toch. Een weekje thuis, en dan direct door naar Oostenrijk – Wenen om precies te zijn. Ik had ergens het gevoel dat dit niet zo hoorde. Ik hoorde niet naar huis te gaan, dat maakte geen deel uit van het plan. Het plan was reizen, beetje per beetje, en naar huis gaan zou dit enkel in de war brengen. Maar mijn vader overtuigde me: het zou beter zijn dat ik de begrafenis hielp voorbereiden, alleen al zodat ik er mijn eigen aandeel in zou kunnen herkennen wanneer we zijn dood later zouden gedenken. – Al is het maar voor die therapeutische waarde.

Die betreffende dag had het de hele nacht gesneeuwd. Er lag een twintigtal centimeter verse sneeuw, en de sneeuw bleef bijvallen. Ik zou met Janez terug meerijden en tegen de avond zouden we in Leerne toekomen. Het vertrek werd echter opgehouden door het plan dat Erik had voorzien om pas rond de middag te vertrekken. Hij wou nog even gaan zwemmen in het zwembad dat bij het chaletje hoorde. We hadden een rit van zeker 8 uur voor de boeg en de sneeuw leek het niet bepaald te vereenvoudigen. Niettemin wou Erik nog eens zwemmen en eventueel zelfs een pizza gaat eten in het dorpje. Dit was nogmaals het bewijs van de hardnekkigheid van de vooraf ontwikkelde verwachtingen. Wat we deden was niks dan de opgestapelde anticipaties inlossen van de weken die de reis waren voorafgegaan. Ik had er genoeg van, maar ik probeerde zo min mogelijk de frustraties die dit in me teweeg bracht te affirmeren en bekrachtigen. Het was hopeloos om hierover te redenen met de anderen. Ze hadden geen idee – in welke zin dan ook.

Na een lange vermoeiende rit kwamen we aan om 4 uur ’s morgens. Ik belde aan – ik had immers geen sleutel bij. Vader deed open. Ik stapelde mijn boeltje op in de gang en ging slapen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten