In Annecy werd ik opgewacht door Martin (spreek dit uit als het Franse ‘Martine’, niet ‘Martin’). Martin had een enthousiaste jongen gebleken in de mails. Hij zou me met plezier ontvangen. Het was leuk om met dat vooruitzicht te vertrekken.
Hij wachtte me op aan het station. Ik mocht de taal kiezen, zei hij: Frans of Engels. Maar welke taal dan ook, hij zette de woorden steeds op een Spaanse metrum en melodie. Hij sprak bevlogen, hij leek wel gehaast om van achterste voren te vertellen, en te eindigen met het punt waarmee men normaal aan een verhaal begint. Ik had het moeilijk om hem te verstaan. Hij vertelde me alles wat ik moest weten plus nog wat meer, en ik volgde hem naar zijn appartement. Het was een eindje uit het centrum verwijderd.
Martin had een klein kamertje met een extra matras. Hij deelde het keukentje en de badkamer met twee andere jongens op het verdiep, een Mexicaan en een Algerijn. De Mexicaan had een Franse vriend. De Algerijn werd steeds ‘de Algerijn’ genoemd. Toen ik hem voor het eerst zag, begreep ik waarom. Zijn naam was te moeilijk om te onthouden, hij studeerde financiën en hij liep gekleed in een traditioneel Noord-Arfrikaans gewaad. Martin trok vooral naar de Mexicaanse homo en de Algerijnse jongen werd duidelijk wat uitgesloten. Het waren niettemin allemaal vriendelijke jongens. Ze leefden in kleine kamertjes in een slecht onderhouden gebouw, maar ze waren zelfbewust en georganiseerd genoeg om in een sfeer van verstandhouding samen te leven.
Martin had les in het conservatorium. Hij gaf me een sleutel en liet me vrij om te komen en gaan wanneer ik wou. We spraken af om ’s avonds iets te drinken en eten in de stad. Op geen tijd had ik al de grote monumenten van de stad gezien. Het was wel mooi. Annecy wordt het Venetië van de Alpen genoemd: allerlei kleine kanaaltjes kronkelen tussen de huizen door en voeren het heldere water van het meer in en door de stad. Het was duidelijk een toeristische stad, en het centrum zag er bijna mooier uit als een foto in een folder – bijna: na het photoshoppen was men nu net begonnen aan het cityshoppen.
Ik ging Martin opwachten aan het conservatorium. Ik zag er plots een bekend gezicht opduiken. Het was een jongen aan wie ik een ‘request’ het verstuurd, die positief had geantwoord, maar aan wie ik niet meer had teruggestuurd. Malik, was zijn naam. Het bleek dat Martin met hem ook had afgesproken om een pint te gaan drinken. Het werd een couchsurfersavond.
We dronken een pint in een Irish pub en gingen vervolgens naar de flat van Malik. Onderweg kwam hij nog enkele vrienden tegen en hij nodigde die mee uit naar zijn flat. We waren met zes en we dronken nog wat bier en bestelden een kebab via telefoon. Malik had een eigenaardige manier van praten. Hij leek wel homo, maar tegelijk sprak hij over vrouwen op een typisch heteroseksuele manier. Ik begreep hem niet. Maar hij was vriendelijk. We spraken later nog eens af om iets te gaan drinken en ook dat werd nog leuk. Malik heeft Algerijnse ouders maar is Frans in hart en nieren. Hij studeerde enkele jaren terug als advocaat en hij vertelde over zijn ervaringen in Japan waar hij de laatste twee maanden zijn firma had vertegenwoordigd. Hij vertelde ook over Japanse vriendin, maar ik kon zijn affectie voor haar maar moeilijk geloven.
Zaterdag ging ik mee met Martin naar een feestje in Chambéry. We vertrokken ’s middags. Een Amerikaan die in Annecy verbleef zou samen met een Spaanse uit Chambéry zijn verjaardag vieren in Chambéry. Ik nam mijn valies mee en zou erna in Chambéry blijven. Ik nam zonder de minste smart afscheid van het postkaartje dat op een stad lijkt en liet Annecy met plezier achter me. In het station troffen we een Chileense, een Duitse, een Taiwanese, een Zuid-Afrikaan, twee Amerikanen en een Fransman. Op de Fransman na waren ze allemaal taalassistenten, en gaven ze begeleiding bij taallessen Spaans, Engels of Duits. Martin deed dat ook, als een soort van bijverdienste.
Een Spaans meisje in Chambéry was ook jarig, ook een taalassistente. Ze woonde samen met een Chileen in een ruime colocation. Het waren allemaal heel ontvankelijke mensen, blij om iemand nieuw hun wereld binnen te laten. Het was vier uur en vooraleer met het feesten te beginnen zouden we een wandelingetje door het centrum maken. We waren met velen, en iedereen met een totaal verschillende achtergrond. Tijdens de wandeling kon ik wat in de groep te bewegen en wat met iedereen te praten.
De Amerikanen waren afkomstig van Arizona en Montana – beiden van de Midwest dus, maar dan wel van het noorden en het zuiden. De jongen van Montana had filosofie en Frans gestudeerd en ik ondervroeg hem wat naar wat hij gelezen had en wat hij kende. Maar wat ik als de grote hedendaagse scholen had aangeleerd gekregen, bleek hij niet te kennen – in Montana kwamen ze klaarblijkelijk niet veel verder dan de Renaissance.
Ik praatte met de Zuid-Afrikaan wat Nederlands en hij antwoordde Afrikaans, maar zijn Frans was beter als mijn Afrikaans en we schoten weinig op. We praatten wat over kolonialisme en Franstalig Afrika. Hij wist het één en het ander, maar hij was in feite meer geïnteresseerd in hip-hop en meisjes. Het feestje ’s avonds zou cool worden.
De wandeling liep door de mooiste straatjes van Chambéry. In tegenstelling tot Chambéry is het centrum heel wat minder op toerisme ingericht. Ik had het gevoel dat ik weer in de echte wereld was terechtgekomen. De huisjes waren mooi, en alhoewel er weinig autovrij was, was de stad aangenaam om in rond te wandelen.
We keerden terug naar de flat en er werd verder gepraat. Er werd wat gedronken. Anderen gingen ondertussen inkopen doen. Toen ze terugkwamen werd er gekookt: tapa’s en allerlei Spaanse en Argentijnse specialiteiten.
Het feestje kwam snel erna op gang. Spaanse dansen als tango en salsa werden voorgedaan door Martin en het Chileens meisje. Martin en het meisje dansten bijzonder stijlvol, met een vlammend temperament dat enkel Zuiderlingen zo verfijnd kunnen in beweging en postuur vertalen. Ze trokken vervolgens andere mensen op de dansvloer en de één na de ander liet zich verleiden door hun heupwiegende vrienden.
Ik dronk en dronk en we feestten de nacht in. Het Chileense meisje leerde me toosten op een Franse manier. Het ging ongeveer als ‘eentje van boven (waarbij je de bovenkanten van de glazen laat klinken), eentje van onder (waarbij je de onderkanten laat klinken), zodat het glijdt (waarop je de glazen tegen elkaar op en neer laat glijden).’ Haar ogen verraadden haar onkuise gedachten. Amusant, speels, helemaal niet streng of overtuigend. Ik overtuigde één van de Amerikanen die hash bij had om een jointje te rollen. Het werd geweldig.
De volgende dag was ik geradbraakt. Ik moest een nieuwe gastheer vinden, een dag vroeger dan aanvankelijk gepland. Ik belde een zekere Johan op en hij zei ja. En ik ging naar hem toe.
Johan was net terug van snowboarden. Hij had zijn snowboardbroek nog aan. Hij was moe, zei hij – gelukkig, want ik ook. Hij woonde in een appartementje pal in het centrum. Zijn voordeur was in een klein gang langs het centrale plein van Chambéry. Steegjes lopen hier vaker onder huizen door. Het was er donker en ik moest mijn hoofd even intrekken om door het deurgat te gaan. Het leek wel een kerker. De ingang gaf uit een op een klein koertje met een trap. Alles was in grote asymmetrische stenen opgebouwd. Hier en daar stond mos op de stenen. Alles zag er honderden jaren oud uit. – Alles behalve dan dat glanzende snowboard in de hoek.
Hij opende zijn deur en liet me erin. “Je suis un bordelist,” zei hij. Een treffende inleiding, want zijn kamertje was klein en stond vol met rommel. Hij gaf wat uitleg bij wat ik allemaal zag. Voor mij had iets als “dit is mijn puinhoop” wel volstaan, maar hij had duidelijk oog voor andere zaken. Hij had zo wat nieuwe boeken gekocht en allemaal hadden ze in zekere zin te maken met Picasso. Picasso bleek algauw zijn nieuwe held te zijn. Van thuis uit was hij niet veel met kunst in aanraking gekomen en sinds hij een museum van Picasso was binnengewandeld, was hij helemaal verknocht geraakt aan het leven en werk van die man. Hij verontschuldigde zich terloops voor het feit dat die boeken alle plaats innamen. De boeken lagen evenwel verstrooid over de andere hoopjes rommel. Veel verschil maakten ze dus niet.
Het was zo’n flat waar niks een vaste plaats had. Boeken lagen op de grond gestapeld, appelsienschillen lagen op het boekenrek, het eten stond gestapeld op het aanrecht, en verzamelde bierflesjes namen het rek in. Hij vertelde dat zijn naam, ‘Johan’, gegeven was naar de speler Johan Kruif. Zijn ouders waren destijds dol op Johan Kruif. Hij was opgegroeid in een klein dorp waar wintersport altijd al aanwezig was geweest. Hij had altijd al de winters in stations gewerkt en werkte ‘s weekends in een keuken van een restaurantje op de piste. Johan was echt een kerel uit de bergen.
Zijn interesses waren nogal exclusief. Wat hem zo bijvoorbeeld interesseerde was het kampioenschap semi-downhill mountainbiking waar hij ’s zomers aan deelnam, en voor het plezier, freeboarding in de zomer (een soort skateboard dat als een snowboard wordt bestuurd) en snowboarding in de winter. Verder bleek ook algauw het computerspel ‘Tour of Duty’ veel van zijn tijd in te nemen. En elke dag schoot zijn enorme flatscreen aan wanneer ‘La plus belle la vie’ begon, een Franse soap vergelijkbaar met ‘Familie’ of ‘Thuis’ bij ons. Ik had mijn beeld over hem al snel gevormd, en later zou blijken dat er weinig viel aan bij te stellen. Johan was opgegroeid in een klein dorpje en geïsoleerd als hij daar leefde, was hij nooit in een grote verscheidenheid van prikkels opzoek naar zichzelf moeten gaan. Hij nam genoegen met zijn verworven levensstijl.
Hij stelde me voor om enkele uren mee te helpen op een evenement, betaald. Dit kwam goed gelegen, wat extra geld was me meer dan welkom. Het evenement heette ‘workshop ski 2009’ en was in de praktijk een treffen waar vertegenwoordigers en managers van allerlei skistations en winkels en reisbureaus elkaar ontmoetten. Het was te doen in een expohal en er werd een groot diner georganiseerd voor de 1300 genodigden. Johan en ik zouden in de keuken helpen. De keuken was evenwel geen echte keuken. Het was dan ook in een expohal en had louter wat rudimentaire nutsvoorzieningen. Het had geen vaatwas en daarvoor werden wij dus ingeschakeld. Maar niet om af te wassen. We moesten de afgeruimde borden leegmaken en ze in dozen steken, opdat de afwas dan elders zou kunnen gebeuren.
Het leidinggevend personeel was behoorlijk jong en liep gespannen heen en weer hun dertigtal kelners richtlijnen te geven. Johan en ik waren de enigen die met tweeën een aparte taak hadden en dat zorgde ervoor dat de richtlijnen wat van overal kwamen en niemand verantwoordelijkheid leek op te nemen. Op niet veel meer dan een uur tijd zouden drie gangen van 1300 serviezen op ons tweeën afkomen. We ontwikkelden à l’improviste een systeem en verdeelden wat taken tussen ons beiden.
De borden kwamen echter veel te vlug. Elke minuut kwam een stapel van een tiental borden bij met op elk bord wat resten die we er dan één voor één trachtten leeg te maken. Maar de minuten werden alsmaar korter en de stapels des te groter. Twee kelners werden ingezet om ons bij te staan en nog steeds haalden we onze race tegen de tijd maar nauwelijks. Na een uurtje ging de storm uiteindelijk gaan liggen, en we hielpen nog hier en daar wat mee tot uiteindelijk ons werk teneinde verklaard werd.
Volgende dag vertrokken we iets vroeger naar de ‘workshop ski’. De ernst van de problemen van de dag ervoor waren tot de top doorgedrongen en alle kelners hielpen nu mee met de borden leeg te maken, terwijl wij vooral de dozen vulden en ze op paletten stapelden. Het werd een enorme chaos en we werkten ons wederom in het zweet, maar we hielden ditmaal het hoofd boven water.
Op één van de avonden bij Johan gingen we naar wat hij inleidde als ‘een film over gender en seksualiteit’. Ik wist niet waar ik me aan moest verwachten, maar Johan deed er enthousiast over. Het werd georganiseerd door een associatie – iets wat niks minder bleek dan een groepering extreem linkse, en overwegend anarchistische, militanten. En het was ook veel meer dan een film. Een dertigtal krakers en enkele andere enthousiastelingen zoals Johan en ikzelf werden in een georganiseerde en gemodereerde ‘film en discussie’ geworpen. Maar de ‘grote jongens’ in de discussie bleken algauw faliekant naast elkaar te spreken en de enige oproep die uiteindelijk wat weerklank vond in de groep was de nogal anarchistische oproep: “we worden door de maatschappij een rolpatroon opgelegd en onze ‘ware identiteit’ wordt verdrukt.” – Alsof er iets is dat buiten de maatschappij bestaat dat we ‘ware identiteit’ kunnen noemen. Maar als er al iets is dat werkelijk buiten de maatschappij bestaat, dan is het wel deze klagende, wietrokende, belastingsontduikende bende anarchisten, dacht ik zo.
Chambéry is geen kleine stad. Men is er wat regionalistisch, d.w.z., men is er trots op de kazen en worsten uit de streek, de Savoie. Maar men denkt er even groot als elders in Frankrijk. Men is er in geen enkel opzicht minder Frans. Het is daarom ook niet minder interessant om in Chambéry mensen van dergelijke associaties te ontmoeten en te zien strijden voor iets, of beter, zoals in hun geval, te zijn strijden tegen iets (een nogal doorzichtige abstractie als je het mij vraagt, maar goed).
In Lyon kwam ik eerder al dergelijke links-activisten tegen, die spraken van dergelijke non-profit associaties met als doel de wereld, en in het bijzonder de Franse wereld, een betere plaats te maken. Een nobel doel uiteraard, maar wat een onzin daar allemaal aan gekoppeld wordt: wat kan men in godsnaam doen met het oordeel dat de maatschappij onze ware identiteit verdringt? Achja, iedereen zijn of haar ideologische wangedrochten – en de Fransen hebben zo klaarblijkelijk hun anarchisme. Het leek meer en meer iets dat over heel Frankrijk bestaat, met dezelfde focus en vanuit dezelfde commentatorpositie.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten