zaterdag 21 februari 2009

Groene jongens in een sneeuwlandschap

Ik had een afspraak met Eric en Marie-Pierre, een koppel dat zich net had ingeschreven op couchsurfing. Ik zou hun eerste gast worden. Ik wandelde wat uit het centrum op zoek naar hun adres. Het was misschien wel de enige straat met appartementsblokken, Rue de Genève. Het adres op mijn papiertje kwam overeen met een oud gebouw – jaren 50, zou ik later vernemen, gebouwd om de babyboom op te vangen. Ik belde aan op het zesde verdiep.

Eric en Marie-Pierre ontvingen me zoals ze allicht veronderstelden dat het hoort: als een gast. Er werd bier uitgeschonken en er werden chips geserveerd en we gingen gezellig bijeen zitten. Er werd over couchsurfing gepraat, over mijn ervaringen, over anders reizen, over alternatieve levensstijlen en alternatieve reizen.

Eric was van opleiding een informaticus maar was samen met een vriend een zaak begonnen en schreef nu ingewikkelde programma’s om energiezuinige huizen te bouwen. Eric was achtentwintig, Marie-Pierre zesentwintig, beiden jonge, zichtbaar sportieve en zelfbewuste mensen. Ze waren al enige tijd samen en hadden een hele tijd in Grenoble gewoond vooraleer naar Chambéry te verhuizen. Ze waren allebei dus niet van de streek. Marie-Pierre was van bij Grenoble en Eric was opgegroeid in een residentiële wijk net buiten Parijs, grenzend aan de uiterste banlieu’s. Ze waren allebei echter wel erg op het bergleven gesteld. Ik zag in de gemeenschappelijke bibliotheek in de woonkamer een hele reeks boeken zitten die met het bergleven te maken hadden. Ze waren zich goed bewust van de streek waarin ze leefden, en dat maakte het des te interessanter om me door hen te laten gidsen. Dit zou me een andere invalshoek opleveren dan deze die Johan bood, zoveel was zeker.

In onze kennismakingsgesprekken gleden onderwerpen steeds weer terug naar ecologie en het optimaal benutten van locale voorzieningen. Ze hielden van hun gourmandische tradities, hun kazen en vleeswaren, en ze betaalden met plezier iets meer voor locaal product.

Ik hield me wat sceptisch wat de consistentie van hun opvattingen betrof. Allemaal goed en wel, maar hoe consequent zijn jullie daar dan wel in, vroeg ik me af. Ik merkte zo op dat ecologie, fair trade, locale productie, biologische teelt enzovoort, allemaal nobele streefdoelen zijn, maar dat die maar zelden consequent en in harmonie worden nagestreefd. De ene keer zet men zich in voor het milieu, de andere keer voor de strijd tegen kinderarbeid, en nog een andere keer wil men gezond eten, maar dan staat men in de supermarkt voor een keuzeprobleem en dan wordt alles overboord gegooid en koopt men het goedkoopste. – Ik was zelf enigszins verbaast van de slagkracht van mijn woorden. Ik las in hun blik dat mijn woorden nog even nagalmden.

Ik sprak goed Frans en had veel geleerd in die enkele maanden, stemden ze ten slotte met elkaar in. Maar – terug op onderwerp – gaven ze toe vaak, en inderdaad nogal opportunistisch, het goedkoopste te kiezen, en ze leken zelf ook zelf geen genoegen te vinden in het schamele argument dat ze hun geld voor een reis spaarden.

Het was leuk eens een discussie op niveau te voeren, over onderwerpen die wel iedereen aanbelangen – en misschien wel nog in hoofdzaak onze ongeboren kinderen.

’s Avonds namen ze me naar een bar. Ze namen me naar een ‘populaire bar’ zoals dat dan heet, een bar waar zowat alle lagen van de bevolking waren vertegenwoordigd, en zoals de traditie het gebood samen dronken en zonder onderscheid met elkaar keuvelden.

De inrichting was gezellig ouderwets. De meubels waren uniform in dezelfde zestigerstijl: donker vernist hout, een toog met laminaat nephout bekleed, en kadertjes die ode boden aan de vergeten plaatselijke helden van weleer. Maar wat me het meest verraste was wel dat er geen muziek was, er was zelfs geen geluidsapparatuur om muziek af te spelen te bespeuren. Heel vreemd voor een café. We luisterden noodgedwongen gesprekken af van in heel het café, en zij luisterden de onzen af. Het was een druk geroezemoes. Een eigenaardige sfeer, als je het mij vraagt. Onder al dat gekwebbel door was een zacht gebrom te horen van de luchtververser tegen het plafond. De bruinig gele teerlaag herinnerde aan de periode van voor het rookverbod. Hoe zou dit café er toen hebben uitgezien? Toen had ik het wellicht nooit voor mogelijk gehouden dat een dergelijk drink- en rookkamertje overeind zou blijven na het verbod. Dat bleek helemaal niet waar. Rokers gingen daar gewoon even naar buiten voor, net zoals plassers gewoon even naar het toilet gaan. Marie-Pierre stootte een pint om en heel het café leefde met haar mee. De cafébazin suste haar verlies met een nieuwe pint en kuiste het goedje op.

De volgende ochtend gingen we naar de markt. Locaal geproduceerd én goedkoop: hier waren Eric en Marie-Pierre in hun nopjes. Ze kwamen hier wekelijks hun groenten, kazen en vleesjes inslaan en gaven wat uitleg bij wat ik zag. Er was een hele ideologie aan dit ritueel gekoppeld, alsof ze de traditie onder een kritisch oog hadden ontleed om ze vervolgens overtuigder dan tevoren goed te keuren en openlijk uit te dragen naar anderen – ze stonden niet voor niets op om 9 uur op een zaterdag.

Het voorstel was al ter sprake gekomen maar het kwam uiteindelijk tot een besluit. Ik had Eric er al van aan het begin tot in detail over uitgevraagd, en was helemaal voor het idee gewonnen om samen een ‘rando de ski’ te doen de volgende dag. Eric deed het tot tweemaal per week: een halve dag een berg opwandelen om vervolgens in niet veel meer dan een uurtje al skiënd terug naar beneden te komen. We zouden vroeg moeten vertrekken.

’s Avonds was er een feestje gepland van een vriend van Eric. Met de auto reden we de stad uit, naar een klein dorpje op een heuvel. Het was een soort van instuif van het clubhuis van een associatie waarvoor Eric had geholpen in de berekeningen om het huis zo ecologisch mogelijk te bouwen. Het was een passieve woning, opgetrokken in afbreekbare materialen die op hun beurt ook weer duurzaam werden ontgonnen. Een vreemd bouwwerk. Hier en daar zat nog wat stro bloot. Het gaf een eigenaardige sfeer. Er werd een soort troebadoersmuziek gespeeld, iets dat ik in Frankrijk al meer had gehoord. Ze klonken heel erg als Mano Chao. Maar met de ‘rando de ski’ van de volgende dag in het verschiet beëindigden we de avond relatief vroeg.

De volgende ochtend was het vroeg. De sneeuw wachtte. Voor mij zou het deze winter de eerste keer worden dat ik de sneeuw van dichtbij zou zien. Vooralsnog had ik ze enkel vanuit de valleien op de bergtoppen rondom gezien, en ik kon niet wachten dichterbij te raken.

Met vieren namen we plaats in een kramakkelige Peugeot. We klommen snel en we kwamen algauw op wegen bedekt met sneeuw. Na een zekere tijd begonnen we geleidelijk aan minder grip te hebben, en op een bepaald moment, op een smal baantje stijl omhoog, kwam de auto stil te staan op de dikke ijslaag die ooit op sneeuw geleek. De auto viel stil. Hij startte weer en de wielen slipten door. We gingen achteruit terwijl de wielen vooruit draaiden. Het werd spannend. Het baantje helde schuin af naar de kant van de vallei. De motor viel weer snel. Het was zo’n oud Peugeotje met vier versnellingen dat nooit door een keuring zou raken. We stapten uit en probeerden nogmaals. Na enkele malen proberen werden de kettingen gemonteerd. Ze waren duidelijk ervaren. De kettingen lagen er in een mom van tijd op en we konden doorgaan.

We kwamen aan op een parking waar nog een 10-tal auto’s stonden geparkeerd, met mensen met raketten en ski’s overal rond ons. We trokken onze skischoenen aan en begonnen aan onze weg. We waren algauw ver van de parking en alleen, heel alleen in een prachtig wit boslandschap. We liepen met z’n vieren aan een stevig tempo het pad op. Het was een gewoon wandelpad, maar dan wel bedekt met meer dan een meter sneeuw en een verse sneeuwlaag van wel 30 centimeter. Het klom langzaam schuin de bergwand op. Het kronkelde tussen de bomen en bracht ons op heuvelkammen die bleven stijgen, het bos uit, richting bergland.

Het was prachtig. We waren helemaal alleen in een enorm bos. Een dikke laag verse sneeuw overal om ons heen. Het lag magnifiek over het landschap uitgespreid, als een zachte wolk die zich langzaam had neder gedaald op de takken, op de bomen, op de rotsen. Het had iets poëtisch, dacht ik zo. Wel ja, poëzie, maar dan wel zonder woorden. Overal rond ons die witte luchtige sneeuw, zo zacht, zo ongerept, zo subtiel glooiend, zo onaanraakbaar in haar lichtheid… Anders dan de zovele dingen waarmee we ons omringen, heeft sneeuw die bijzondere eigenschap dat je haar schoonheid niet kunt vastgrijpen. Haar schoonheid is enkel van op een afstand waar te nemen. Ze proberen vastnemen leidt ertoe dat ze vernietigd wordt. Vandaar wellicht ook de term ‘kille schoonheid’. Sneeuw is meedogenloos.

Ik vroeg me mijmerend af of de poëtische contemplatie waar een landschap als dit ons toe aanzet, niet verloren is aan het gaan. Ik stelde bij mezelf vast dat ik zelf al niet meer zo aan die romantiek van de poëten van weleer geloofde. Iets cynisch ontwaakte in mezelf en ik nam er een foto van. Ja, heel cynisch. Ik deed eerder aan poëzie zonder woorden, ik zag een mooi beeld en nam een foto – want een foto gaat langer mee. Ik zou zo nog vele malen naar dat landschap kunnen kijken. Het aanraken zou ik niet kunnen, maar ik zou het wel kunnen tonen en meedelen waarvan ik heb moge getuigen, in een soort van objectieve bescheidenheid: gewoon tonen. – Het is een soort van cynische annihilatie van alle waarden die we voorheen poëtisch in de taal wisten te leggen – *klik*.

Het tempo naar boven lag hoog. Ik had mijn hartslagmeter aangedaan en ik wandelde de hele tijd net onder het maximum. Het was wat gevaarlijk wat ik deed, aan dit tempo putte ik mijn lichaam uit. We gingen door. We liepen het bos uit en klommen een witte, ongerepte helling op met een prachtig uitzicht over de omliggende bergen. Veel tijd om van het landschap te genieten had ik echter niet. We gingen door. Voor een bepaalde passage, stijl tussen enkele rotsen door, moesten we onze ski’s uitdoen en met ski’s op de rug het dik pak verse sneeuw van de bergflank doorploegen. Het was zwaar. Een stijle trap werd in voetstappen in de bergflank uitgehouwen en ik volgde, hijgend van de ijle lucht. Mijn hartslagmeter piepte, alarm. Ik vertraagde. Ik hield de hele groep op. – Gelukkig had ik dat ding aan, zo kon ik altijd naar het medische argument grijpen: dat is niet gezond.

Eenmaal boven was er veel wind. We kwamen op een kant van de berg waar de wind vrij spel had. We liepen nog even verder langs een kam die langzaam naar boven voerde, tot de top, waar zoals op zoveel bergen overigens, een groot kruis stond – en we namen weer wat foto’s.

Het plan was aanvankelijk om boven te eten en erna naar beneden te skiën, maar de wind maakte dat wat moeilijk. We trokken onze ski’s aan en gingen naar een wat lager gelegen plaats, waar de wind minder makkelijk aankon en waar we toch de warmte van de zon hadden. Het skiën begon daardoor wat moeilijk. Het was stijl, en de wind had veel sneeuw weggeblazen naar kuilen. Zo lag er een dikke laag zachte sneeuw op de ene plek, en ijs op de andere. Uiteindelijk viel ik meer dan dat ik bochten maakte in een afstand van nog geen honderd meter.

Na het eten ging het beter. We zaten in een dal afgeschermd. De wind die ervoor ijzige schilfertjes sneeuw in mijn gezicht blies, was er niet meer, en ik werd minder gehinderd. We daalden zigzaggend tussen de bomen en gleden over een dikke laag zachte sneeuw. Ik volgde en het skiën beterde snel. Het begon leuker en leuker te worden. Na de enorme inspanning die de klim had gekost, kwam de adrenaline als een warme verkwikkende golf over me heen. Het was fenomenaal en ik genoot met volle teugen. Ik voelde me oprecht gelukkig, ik voelde me opgewekt en zorgeloos, en bovenal, ik vond mezelf in een opzienbarende nederigheid tegenover die grootse ongereptheid rondomrond. – Wat kan natuur toch mooi zijn.

Mijn esthetische receptoren bleven nog even nazinderen. ’s Avonds aten we een typisch Savoie-gerecht, een dikke worst met chou (kool) in. Hij werd gekookt vreemd genoeg. Er werden aardappelen mee in dezelfde pot gegooid. Maar hoe eenvoudig het gerecht ook was, we aten samen, gezellig samen tafelend, met, zoals gewoonlijk, een stuk kaas en een dessert.

Volgende dag ging ik het huurmateriaal terugbrengen. Ik kocht mezelf ineens ook een jas en een trui. Het was ten slotte de laatste week van de solden. Ik ging terug naar de flat en genoot van de rust. De volgende dag had Marie-Pierre de halve dag vrij, en Eric ook werkte thuis. Eric stelde me voor om zijn fiets te nemen en een fietstochtje te doen. Het was wat hectisch en het leek me dan ook beter om even buiten te zijn, zodat ik wat uit hun weg was. Ik trok de baan op.

Erics fiets was een koersfiets, een oude koersfiets, - een Peugeot met lelijke spatborden waarvan enkel de achterrem werkt. Ik volgde een fietspad van Chambéry naar Aix-les-Bains, een stadje naast het grootste meer van Frankrijk. Het pad liep langs een riviertje. Maar erg mooi was het allemaal niet. Ik leek de hele tijd langs een industriegebied te rijden. Ik week wat af van het pad en reed wat heuvels op en af. Op een gegeven moment daalde ik aan een zekere snelheid af en na wat remmen (wat met die slechte achterrem die aan de koersstuurtje nogal moeilijk was) sneed ik een haarspeldbocht aan. In de bocht zelf ging de helling nog behoorlijk stijl en ik won snelheid. Ik sneed scherper en scherpen, vol zelfvertrouwen met de gezang van Placebo in mijn oren, en ineens gleed mijn voorwiel van onder mij heen. Ik strekte mijn handen voor me uit en landde op mijn handpalmen (gelukkig met handschoenen wat beschermd), mijn ellebogen, mijn knie en mijn heup. Mijn broek was aan flarden gescheurd en mijn gloednieuwe trui van 80 euro had tussen de straat en mijn elleboog gezeten. Ik vloekte. Ik keek naar mijn wonden en vloekte nog meer. Ik reed wat verder de afdaling af en merkte dat mijn voorband niet heel veel spanning had. Ik reed even door en twijfelde over wat ik zou kunnen doen. Ik besloot uiteindelijk Eric te bellen met de melding dat ik een platte band hand. En dat deed ik ook. Hij reageerde echter niet zoals ik had gehoopt, en ik bleek een wandeltocht van een zevental kilometer voor de boeg te hebben met een bloedende knie en elleboog en een lelijk gescheurde broek. Ik liep een tweetal uren gefrustreerd te piekeren, boos op alles en iedereen. Het waren idioten, herhaalde ik bij mezelf. Allemaal idioten!

De volgende dag vond ik een volgend bed bij Joachim en Mariangela, twee taalassistenten die in Alberville de taalleerkrachten ondersteunden. Joachim was Duits en Mariangela Italiaans. Joachim was een echte skiefanaat en leek al zijn tijd in sneeuwsporten te steken (en in het bijzonder alpine ski en rando). Op zijn profiel prijkten vele mooie foto’s van berglandschappen. Op Mariangela’s profiel waren geen duidelijke foto’s van haarzelf te zien. Ik hoopte op een knappe Italiaanse.

De dag erop liftte ik naar Albertville. Marie-Pierre gaf me een stuk van een waspoederdoos om er ‘Albertville’ op te krabbelen, en ze zette me af aan een oprit. Het duurde een tweetal uren vooraleer ik een lift kreeg en ik had het moeilijk om uitnodigend te blijven glimlachen naar de bedrukte gezichten van de langsrijdende bestuurders. Maar het lukte.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten