zaterdag 7 februari 2009

Uitstap naar een stukje Zwitserland: Carouge

Genève. De douanepost herinnerde me aan het feit dat ik in een ander land was terechtgekomen. Ik ging meteen op zoek naar een office de tourisme, op de gebruikelijk zoektocht naar een kaartje van de stad. Maar opeens werd ik opgebeld. Het was Simon, mijn gastheer. Hij zat op een tram aan het station en vroeg me of ik er ook was. Ik was net op tijd om de tram te vinden waar hij opzat.

Op zijn profiel op couchsurfing ziet Simon eruit als een sullige sportliefhebber. De kerel die ik aantrof leek echter iemand helemaal anders dan wie ik voor ogen had. Het was een stoere blonde Duitser met kleurrijke kleren en een proper fijn sikje. Hij sprak me toe met een verfijnd Amerikaans Engels en legde uit hoe hij nu al drie jaar in Genève studeerde om nu voor de eerste keer een tweede semester te beginnen. Rechten was het nu.

Hij vertelde verder ook dat zijn nieuw appartement een grote verbetering is. Want op de plaats waar hij vroeger woonde, woonde hij met 30 man samen. Het was er smerig, chaotisch en het was kortweg geen plaats om couchsurfers te ontvangen. Nu deelde hij een flat met een vriend, Michael, in Carouge, één van de chicste buurten van de stad.

We zouden al vlug terug afscheid nemen. Michael zou zich over mij ontfermen. Maar blijkbaar wist Michael daar nog niet van. Hoe dan ook, een Italiaans meisje dat hij in Genève had leren kennen, had hem uitgenodigd in Torino. Hij had haar op een doordeweekse studentenavond leren kennen en ze was de ochtend nadien naast hem wakker geworden – zo vatte hij die kennismaking samen. We stapten van de tram en liepen van de tramhalte naar zijn flat. Hij had een kwartier om terug te vertrekken naar het station en zijn trein naar Torino te halen.

Simon stelde me voor aan Michael en ik kreeg de kamer van Simon toegewezen. Michael sprak enkel Frans en had zelf niet erg veel gereisd. Hij was half Egyptenaar, half Zwitser, en al vlug werd duidelijk dat hij heel wat van dat typisch Arabisch temperament van zijn vader had overgeërfd. Maar hij leek wel ok.

De flat daarentegen was fenomenaal. Het was een duplex net onder het dak, met een houten geraamte dat overal zichtbaar was. Het was prachtig. Het deed denken aan een chalet in de bergen. Het was nochtans een flat in huisje in een bourgeoisiewijk. De woonkamer was enorm. Er was nog maar net verhuisd en er waren geen meubels. Er stonden kartonnen dozen overal. Een luchtmatras in een hoek lag op de plaats waar je een zetel zou verwachten. Een grote doos deed dienst als tafel. En voor de rest stond er enkel een grote muziekinstallatie in de kamer .

Simon nam afscheid en liet zijn gsm achter bij Michael. Ze deelden hun GSM, en blijkbaar ook hun contacten. “Ik kan niet zonder vrouwen,” zei Michael mij. Ik begreep niet onmiddellijk waarom hij dat zei – later zou dat echter duidelijker worden.

Michael beloofde me een soireetje te organiseren in hun nieuw appartement, en nog voor ik ermee kon instemmen, belde hij met de gsm van Simon wat meisjes op. Ik hoorde hem aan de telefoon zeggen dat ze zeker wat vriendinnen moest meebrengen. ‘Hou je er niet voor in om vriendinnen uit te nodigen’, leek hij te zeggen, terwijl hij aandrong met vragen als ‘en wie denk je mee te brengen?’, ‘wat doet zij en zij vanavond?’ enzovoort.

Een meisje kwam inderdaad. Haar naam was Marissa. Het was een Duitse erasmusstudente. Maar ze kwam alleen. Ik praatte er wat mee. Michael leidde de conversaties steevast in dezelfde richting: hij noemde ze verlegen (timide) en ondervroeg ze naar haar seksuele fantasieën, haar wensen en voorkeuren. Hij vroeg ze naar haar ervaringen, haar verwachtingen en haar idealen als het op mannen aankomt. De avond was leuk. Het was niet het feest dat Michael me had voorgespiegeld, maar het was hoogst vermakelijk. Zijn tact was ver te zoeken, maar niettemin leek hij Marissa enkel nieuwsgieriger te maken. Michael probeerde Marissa te overtuigen om de volgende dag terug te komen, maar dan mét vriendinnen, om dan een écht feestje te bouwen. Zo was er althans hoop voor de volgende dag. En Marissa nam afscheid en ik installeerde me in Simons bed en Michael in het zijne, – alleen, zonder veroveringen.

De volgende dag wou Michael me allerlei dingen in de stad tonen en ik volgde hem door de straten. Ik had het evenwel moeilijk om naast hem te lopen. Hij nam altijd de kortste weg en sneed me voortdurende de pas af. Met zijn ellebogen duwde hij me nonchalant uit zijn pad. Een felle attitude – nochtans zonder gewag te maken van enige slechte bedoeling.

Michael werkte als muzikant bij de Zwitserse televisie. Hij maakte jingles voor reclames en hij moest ook die dag, de zaterdag, enkele uurtjes gaan werken. We spraken af tegen de avond en ik ging een wandeling maken in de stad. Ik liep enkele uren rond en trachtte me een beeld te vormen van het leven in deze stad.

Genève klinkt Frans, maar op alle andere vlakken is het een ander land. Het is er kraaknet en je hebt de indruk dat zelfs kauwgommen van de grond worden gekrabd opdat de straten mooier en verzorgder zouden ogen. Naast de propere straten, en uiteraard ook de vele horlogewinkels en banken, viel me echter vooral de mode op. De diversiteit in de mensen die hier rondlopen lijkt zich te weerspiegelen in een diversiteit van mode-idealen. En in tegenstelling tot die enge burgerlijke sfeer van Lyon, waar iedereen hetzelfde ideaal half-en-half lijkt na te streven, kleden mensen zich in Genève mooier en afgewerkter in fijne ensembles te zien. Er is veel prachtige haute-couture die je maar moeilijk kunt onderscheiden van de gewonere mode. De Genèvoise straten lijken wel een catwalk voor individuen met smaak, om met hun perfecte kleuren- en stoffencombinaties te paraderen. Maar klaarblijkelijk is niet iedereen fan van een dergelijke diversiteit. Rijkdom uitstallen blijft nu eenmaal een hobby: de vele bondjassen en de lange lederen mantels: rijkdom die van veraf herkenbaar is. En ik spreek nog niet eens over de wagens.

Tegen de avond ging ik terug naar de flat. Michael was in staat van onrust. De gsm die hij van Simon had gekregen was uitgevallen en hij had de PIN-code niet aan Simon gevraagd. Er was geen enkele mogelijkheid om Simon te bereiken – die zat immers nog altijd in Italië romantisch te wezen met een meisje dat hij hier in Genève had weten te veroveren. Michael wou beginnen koken maar had geen pot. Hij had nu niemand om op te bellen: een ramp. De buren hadden de laatste twee dagen niets gedaan dan speed gesnoven en toen Michael de laatste keer een pot kwam vragen, vielen ze agressief uit met de boodschap dat hij er al lang één kon gekocht hebben. Dus geen eten, en, erger nog, geen Marissa, geen meisjes. Michael suste zichzelf met een jointje, maar in temperamentvolle opwellingen zwengelde hij zijn frustraties nog wat verder aan en vloekte op zichzelf en op Simon en op die ****** GSM met die *** PIN! We bakten de kip uiteindelijk in de oven, naakt op de plaat – goed gezien Johannes!

Na het eten had Michael er helemaal genoeg van gekregen. Hopeloos gefrustreerd ging hij op zijn bed gaan liggen. Ik hield me bezig, maar de tijd schreed voort en Michael liet ondertussen niks meer van hem horen. Ik ontwikkelde het plan om alleen te vertrekken en een pint te gaan drinken in één van die bars in de straat. Het was tenslotte zaterdagavond, het was nog vroeg en ik was hier maar enkele dagen in Genève. Ik twijfelde en gaf mezelf een deadline, ‘10 uur: als hij dan nog in zijn bed ligt, ben ik weg.’

De muziek stond luid en in het begin herkende ik het geluid van de bel niet. Er was zeker al een tiental keer gebeld vooraleer ik uiteindelijk opendeed. Het was Marissa, ze was toch gekomen. En ja, ze had iemand meegebracht, een mooi meisje bovendien. Dagmar was haar naam. Ze was ook Duits.

De meisjes wouden niet dat ik Michael wakker maakte en wanneer ik hem riep, verstopten ze zich. Ik overtuigde hem uiteindelijk om te komen kijken met het idee dat er twee knappe meisjes stonden te popelen om met hem te dansen en onnozel te doen. Hij kwam uiteindelijk de trap af met een twijfelende glimlach. Het was inderdaad merkwaardig dat Marissa was teruggekomen, en dan nog met een knap meisje. Ze gehoorzaamde dus – goed om weten. Maar nu was het nog maar de vraag of ze er iets mee wou zeggen: twee jongens, twee meisjes; en nu verdelen? (Of was dat mijn verbeelding die sprak?)

De meisjes waren nu met twee, en de strijd tussen de seksen verliep enigszins gelijker. Al snel begonnen we te dansen, en we dansten het hele appartement rond. We dronken en rookten wiet en we dansten met de schaduwfiguren die we op de muur afwierpen. We spendeerden weer de hele avond in de woonkamer.

De volgende avonds leek het een rustige avond te worden. Michael leek zich erbij neer te leggen. We zouden eventueel een film kijken op mijn laptop – het rustig houden. Maar ineens ging de bel weer. Het was Dagmar. Ze was in de buurt, zei ze – God weet waarom. En het kon weer beginnen. “Waarom ben je zo timide, Dagmar? Je moet toch niet bang zijn? Want, kijk ons aan, waarvan zou je bang moeten zijn? Van ons? Nee toch?” enz, enz. Michael ging voor haar ook wat eten halen bij dezelfde Vietnamees waar wij ons eten gehaald hadden en bood het haar ongevraagd aan.

Later ondervroeg hij haar naar wat ze van relaties verwacht, welke rol seksualiteit inneemt enzovoort, steeds met de nadruk op zijn eigen geloofsovertuigingen, namelijk dat seks op zich het belangrijkste is in elke man-vrouw-relatie, ook al zijn ze vriendelijk, affectief en intiem. Seks is het centrum, en al het andere speelt in de periferie af.

We praatten en dansten weer de hele avond weg. Op het eind vroeg Dagmar mijn Facebook. Johannes VC, ik gaf het haar op een briefje. Ze was ervan overtuigd dat de ‘V’ van de ‘Van’ (of ‘Von’ in het Duits) betekent dat ik van adellijke afkomst was, meer nog, dat ik een Lord was. Ik ontkende, en ik bleef ontkennen, alsof er een bittere smaak in mijn mond trad. Bij het buitengaan vertelde ik het haar uiteindelijk: “Prins! Ik ben een Belgische prins! Ik ben dus helemaal geen lord.” En ik vertelde erbij dat er vele prinsen zijn in onze dynastie – kwestie van het wat te relativeren. En met grote ogen nam ze alles in zich op. Later stuurde ze mij een sms met een lieve ‘tot ziens’ in, kennelijk overtuigd door wat ik haar over mijn afkomst had opgebiecht; en ik trachtte mezelf eens te bezien door haar ogen, – ik een prins? Ze had wel een punt.

Ergens in het midden van de nacht kwam Simon terug. Ik lag net in slaap en had geen zin om uit het bed te komen, maar door de dunne muurtjes heen hoorde ik zowat alles mee. Simon had in Italië een romantisch weekendje gehad met de Italiaanse scharrel die hij in Genève had opgedaan. Hij legde alles uit aan Michael. Hij had het goed gehad. Heel gezellig. En uitstekende seks!

De volgende dag zou er gewerkt worden. Ik zou ze wat helpen met wat spullen in hun oude huis en de kringloopwinkel op te halen. En zo leerde ik hun oude woonplaats kennen. Het leek wel een kraakpand, maar zo mogelijk, nog chaotischer. Het was jarenlang door dertig colocatairs gedeeld en de eigenaar had het onderhoud kennelijk aan hun overgelaten. Hier en daar was het origineel gedecoreerd, elders lagen de kapotte schoenen samen met de fietswielen en de kapot gesmeten borden op hetzelfde hoopje. Het leek een onmogelijke plaats om te wonen. Ik hielp Simon zijn kamer te ontruimen en alles in de auto te laden.

We gingen die avond vroeg slapen en de daaropvolgende dag vertrok ik naar Annecy. Het sneeuwde in Genève, maar ik liet de sneeuw algauw achter me. In Annecy was het warmer. Het was bewolkt maar het was niet koud. Ik had er rendez-vous met Martin, een Argentijnse saxofonist die in Annecy aan het conservatorium les volgde.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten