dinsdag 9 december 2008

Pssst! Perpignan is eigenlijk een postkaartje!

Na het weekendje Lozère was ik behoorlijk uitgeput. De laatste twee dagen in Montpellier nam ik wat rust en gingen dan ook wat onopgemerkt voorbij. Ik schreef wat, ik zocht wat adressen voor mijn volgende couch, en ik deed wat kleine noodzakelijke dingen: ik waste mijn slaapzak, ik hielp de verwarmingsketel in gang steken en ruimde wat op. Enzovoort.

Ik vertrok uiteindelijk dinsdag tegen 17 uur. Het vertrek viel me wat zwaar. De laatste 10 dagen was ik me op mijn gemak beginnen voelen bij dit zachtaardig groepje studenten. Terug naar de harde werkelijkheid. Ik prentte mezelf in dat deze ontmoetingen allemaal winsten waren, en dat het afscheid geenszins een verlies is. Zeg nooit “Vaarwel,” maar zeg “A+++!” (A plus tard – tot later. “Vaarwel” verstaan ze hier trouwens toch niet.)

De TGV zoefde me Catalonië binnen, op naar de stad Perpignan, de eindbestemming van deze trein. Het ging uiterst vlot. Ik liep met de massa mee het station uit. Het was inmiddels donker. Een kille, gure wind blies de massa uiteen. Velen werden opgewacht door auto’s. Hélène zou mij eveneens komen oppikken aan het station. Het daagde me dat ik niet wist met welke auto ze reed, en ik niet wist hoe ze eruit zag, op een close-up van een half gezicht na (haar profielfoto). Ik wachtte. De massa vloeide langzaam af in de verschillende richtingen waarop het stationsgebouw uitgeeft, eenzaam te voet, in auto’s, in luidruchtige bendes met Noord-Afrikaanse roots... Ik belde Hélène op. Ze was op weg. Ik dook wat dieper weg in de kraag van mijn jas en wachtte. Ik hield een nauwlettend oog op mijn bagage terwijl ook de laatste Noord-Afrikaanse macho het afdroop.

Een nieuwe Renault Clio stopte voor het voetpad. Iemand groette me zwaaiend. Een meisje. Het was Hélène. Ik opende de passagiersdeur en ze groette me opgetogen. Ze vroeg me hoe mijn naam werd uitgesproken. Na verschillende pogingen besloot ik in haar plaats: “Johan, Johannes, Jochen, wat maakt het uit: ik versta u!” en ging in de passagierszetel zitten.

Het viel me op dat haar profielfoto’s ‘mooie foto’s’ waren. Ik zou ze op straat nooit herkend hebben met louter die twee foto’s voor ogen. Ze had een bleek, wat vaal gezicht met onuitgesproken karakteristieken. Maar ze sprak net zoals ze schreef in onze email-correspondentie: geestig, geamuseerd en immer opgetogen. Haar oogjes schitterden als ze sprak en ik voelde me warm onthaald. We zouden iets simpels eten en vroeg gaan slapen want ze was moe.

Haar flat bevond zich in een buitenwijk van de stad in een uitgestrekt complex van gelijkvormige rechthoekige blokken. Het was lelijk, maar haar warme, ruime, en – belangrijk: - nette flat maakte veel goed. Het was smaakvol gedecoreerd met rood- en oranjekleurige doeken. Het had iets gezelligs, iets wat ik al even niet meer gezien en gevoeld had.

Hélène huurde de flat samen met een vriendin die met enkele vrienden op vakantie in Spanje was. Ze vertelde me dat ze nog nooit iemand ontvangen had als ze er op haar eentje was, en dat ze er wat twijfels bij had. Ik zei dat ik het begreep – en vulde aan dat ze van mij niks hoefde te vrezen: tenzij roofmoord, verkrachting, of een pijnlijke marteldood, en dat ik eigenlijk een seriemoordenaar was die heel couchsurfing.com wil uitmoorden. Niet zonder enig misverstand besloot ze me toch een sleutel te geven zodat ik kon uitslapen, en zodat ik kon wachten op de warmte van de middagzon om de stad te gaan verkennen. Het was dat of op straat van acht uur ‘s morgens. Ik liet de grapjes verder achterwege.

Als aperitief dronken we iets wat ze notenwijn noemde, een likeur die ze uit het dorp van haar grootouders had meegebracht. Het was lekker. Ze was wat jaloers op wat ik deed. Zelf had ze dat altijd wel willen doen, zei ze, maar nooit de kans ertoe gehad. Na haar stage kon ze op diezelfde plaats direct vast beginnen werken, een chocoladefabriek, en ze kon die kans niet laten schieten – alhoewel ideeën van vrijheid en avontuur al langer lagen te rijpen in haar geest. Ze was wat jaloers, ondanks ze duidelijk niet dezelfde keuzes zou maken. Ik gaf ze goesting om te reizen, om vrij te zijn, om dromen van avontuur en expeditie na te jagen. Mijn anti-exotische filosofie vond weinig vruchtbare voedingsbodem.

Haar vriend deelde vele van die ideeën, zo bleek. Hij woonde ondertussen al geruime tijd in Australië, en drong er geregeld op aan om hem te komen vergezellen. Maar zij had nu nog maar net een degelijke job gevonden en wat van een stabiel leventje opgebouwd in Perpignan, en ze had serieuze twijfels. Haar twijfels over haar relatie zou ze me later nog opbiechten.

We aten een bescheiden hoofdgerechtje bestaande uit pasta en diepvriesgroenten waarna ze me fier een collectie kazen liet proeven. Het is iets typisch voor Franse jongeren om het hoofdgerecht sober te houden maar erna met kaas en ook een dessert te komen aanzetten. Ik heb niettemin nog steeds die gebruikelijke neiging om me vol te steken met het hoofdgerecht, ’t is te zeggen, met die pasta met bloemkool, of rijst met aardappelen, of een taart van aubergines, of wat het ook is dat ze hier een hoofdgerecht noemen. Ze had een flan van chocolade gemaakt als dessert: heel lekker.

Ze raadde me verder nog allerlei bezienswaardigheden aan en plande zowat het hele verloop van mijn verblijf. Maar het werd al vlug laat en we kropen met oog op al het nieuws dat de volgende dagen zouden brengen onder de wol. Ik sliep in het bed van Gwen, in een eigen, afgescheiden kamer. Ik werd voor het eerst in lange tijd niet al rillend wakker en sliep uit tot halfweg de volgende dag. Ik voelde me even wat schuldig dat ik het uitslapen boven mijn reisavonturen verkoos. De moeite die ik de vorige dag had om mijn gastvrouw te overtuigen van mijn motieven om te reizen vertaalde zich wat in een schuldgevoel: ze was er kennelijk in geslaagd haar drang tot ‘toeristisch avontuur’ op mij af te stralen. Ik besloot uiteindelijk dat zoiets niet bestaat, dat ‘toeristisch avontuur’ nog steeds niet meer is dan een product van onze collectieve verbeelding. Maar het bed was zo lekker zacht en warm… en ondertussen was mijn gastvrouw al halfweg haar werkdag.

Ik kon mezelf moeilijk overtuigen. Gewoon iets doen wat een serieus toerist betaamt, dacht ik, en ik vertrok naar het centrum. Ik nam mooi gecomponeerde foto’s van palmbomen. Ik miste enkel nog een wit strand en een ontvoogde slavin die voor enkele eurocents de hele dag met palmbladen wuifde. Ik moest een andere fantasie zoeken. Liefst één die we allemaal koesteren (en waarmee ik U jaloers kan maken, tiens!?).

Maar het was koud en winderig. En vanuit de kilblauwe hemel straalde de zon niet meer dan een minimum aan warmte om me gemotiveerd te houden. Ik hield even halt en keek naar boven, en ik dacht heel even om die gele bol eens te bedanken. Maar ik realiseerde me dat de aarde wellicht ooit in haar genadeloze vlammenzeeën tot zijn einde zou komen. Fuck you too, dacht ik, en volgde een route langs de bezienswaardigheden die ik met Hélène op een plannetje had uitgetekend.

De oostelijke helft van de stad wordt hoofdzakelijk bevolkt door Noord-Afrikaanse types – zigeuners, zei Hélène me, maar aan de hoofddoeken te zien zijn het dan wel geen Roma’s, maar eerder Algerijnen, Berbers en Marokkanen, of althans zigeuners van aldaar. De onderhouds- en schoonmaakdiensten van de stad deden in deze wijken duidelijk minder moeite. Afval en rommel op straat, roestige verlichtingspalen, bouwvallige gebouwen, er was een probleem. Ik nam mijn notieboekje en noteerde in grote drukletters: PROBLEEM!!!, en ik nam wat foto’s van het staatbeeld.

De winkels lagen grotendeels geconcentreerd in het westelijke deel van het stadscentrum. Het was er gezellig. Het leek wat op Aix-en-Provence: veel smalle steegjes en rustige pleintjes waardoor en -over kleine groepjes lopen te flaneren. Mensen waren er opvallend modieus en modern gekleed: het is alsof de traditionele klederdracht van de ene helft van de stad een terugslag heeft op de andere helft, alsof de hoofddoeken en de korte rokjes samen een natuurlijk evenwicht vormen.

Tegen een uur of zes ging ik terug het appartement opzoeken. We sloten de avond af op het appartement van Hélène met een aflevering van de reeks Californication. Het bleek een sterke serie, over een schrijver in Los Angeles die de ene naar de andere vrouw verleidde louter door zijn roem, maar onderwijl te weinig produceerde om zijn faam hoog te houden.

De volgende dag sprak ik af met Séverine, een meisje die ik via couchsurfing had gecontacteerd om iets te gaan drinken en de stad wat te verkennen terwijl mijn gastvrouw werkte. Séverine bleek een klein brunetje. Ik was haar uiterlijk vergeten te bestuderen op haar foto’s en had totaal geen idee wat voor iemand het zou zijn. Ik had wel de interpretatie van mijn indruk onthouden, namelijk dat ik ze mooi vond. Iemand groette me nogal onverwacht. Ik stokte even en gaf mezelf gelijk dat ze wel mooi was: ja, het is Séverine. Ik was onvoorbereid. De introductie begon weer vanaf nul: “dus wat kom je hier in Frankrijk zoeken in de kou?” – “Euhhh, mja, wat kom ik hier eigenlijk zoeken?” Ik wist het even niet meer. Maar het vlotte uiteindelijk wel en een biertje bevorderde dat alleen maar. We praatten over taal, over reizen, de gebruikelijke onderwerpen, de Belgische politiek, het milieu enzovoort.

Van Séverine ging ik terug naar Hélène. Ze had afgesproken met enkele collega’s om iets te gaan drinken in een trendy bar, Cosy. Het was er verzorgd en hypertrendy ingericht. Alles design, alles glamoureus en hip. Maar de hipheid schitterde door in de prijslijst. De collega’s dronken allemaal cocktails van 9 euro 50. Hélène raadde me iets regionaals aan, Banyuls, en ik liet me overtuigen. Dit was goedkoper: 5 euro voor vijf nipjes. Wel een mooi glas.

De avond verliep wat oppervlakkig en oninteressant en de volgende dag nam ze me naar Collioure, een romantisch oud vissersdorpje met kleurrijke gebouwtjes en reusachtig kasteel in het midden van de stad. Prachtig. Ik trok foto’s terwijl de zon onderging. Vaderlief belde maar ik wimpelde hem af met de boodschap dat ik foto’s moest maken. Ten slotte maken de echte herinneringen zichzelf niet. De zonsondergang, en vooral zoals die de wolken met tinten van rood en purper kleurde, leende zich goed om die geïdealiseerde geschiedenis te imiteren die vaak op postkaartjes te zien is.

’s Avond gingen we weer naar dezelfde bar als donderdagavond. Er werd een trektocht gepland voor de volgende dag. We zouden vroeg moeten vertrekken, dus werd de feeststemming al snel wat getemperd. Onze trektocht ging van start onderaan een bergflank van het kuststadje Banyuls. De sfeer viel wat tegen. We waren met zeven. Degene die de leiding nam zei klaarblijkelijk graag “dac” in plaats van “d’accord,” en “affirmatif” in plaats van “oui.” Verder was hij ook heel fier op zijn uitrusting. Zijn persoonlijkheid (of net het gebrek eraan) had het zwaarste gewicht in de groep. Ikzelf vond het nogal flets en vervelend al dat formeel gepraat over welke aankopen hun delicate verwachting het meest bevredigden. Hij had iets weg van een beroepsmilitair, maar dan zonder bierbuikje en iets narcistischer. We liepen naar de top, we aten, we namen enkele mooie foto’s en gingen terug naar beneden.

Veel mensen met een hoog diploma en een veeleisende werksituatie, zoals Hélène en haar collega's, lijken enigszins een gepolariseerd leven te leiden. Maximaal van het leven profiteren lijkt in de praktijk in te houden dat men nerveus van het ene uiterste in het andere overgaat: van keihard, hersenloos werken naar passioneel, en al even hersenloos ontspannen. Ze zien er evenwel geen polariteit in. En dat is net de kern van het probleem. Ze leven immers steeds in het vooruitzicht van ontspanning. De commerce speelt daar natuurlijk gretig op in. En dat vooruitzicht wordt zo algauw geïdealiseerd. Oneindige reizen, oneindige gevoelens van oneindige vrijheden... Dat ideaal staat weliswaar veraf van enige concrete menselijke situatie. En als het al ergens op terug te voeren is, dan is het wel op fantasierijke media,van postkaartjes tot televisie, met al de verwachtingen en verlangens die ze impliciet in zich meedragen.

Ooit werd het theater en de beeldende kunst zo geloofd voor haar reflecterend vermogen: het weerspiegeld iets waar we anders voorbij kijken, iets wat we zelf zijn. We zien er immers mensen in de greep van bepaalde emoties die we ook in onze eigenste levens bespeuren. We zien, we leren, en we leven voort. Nu leven we met beelden, ze maken deel uit van onze leefomgeving en we zien er onszelf van langsom minder in weerspiegeld. We leven met beelden en een collectieve verbeelding die bitter weinig van onszelf tonen, maar ons eerder in de rijkdom van een veraf gelegen horizon doen geloven, een horizon van postkaartjes en melige televisiedrama's, een horizon van pornosterren en prinsen op witte paarden, een horizon waartegenover al hetgeen waar we ons hier druk over maken vervaald. We leven met onze blik quasi onophoudelijk gericht op die horizon. Niets heeft nog een werkelijke diepte tenzij die oneindig veraf gelegen horizon zelf - of dan uitgenomen op het moment dat we er onze blik van afwenden om iets voorlopigs te doen.

Dat voorlopige was in mijn geval mijn bezoek aan de stad Perpignan. Eigenlijk schijnt de zon in Perpignan. Eigenlijk is het steeds dertig graden in Perpignan. Eigenlijk... is Perpignan een postkaartje. Wat ik zag een meemaakte was dus maar iets voorlopigs - naar de verwachtingen van een doorsnee hooggediplomeerde werkmens.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten