Ik beeldde me Toulouse in als een grote stad. Ik wist niet in te schatten hoe groot. Wel wist ik dat het een metro had. Daaruit leidde ik af ‘tamelijk groot.’
Van de trein volgde ik de bordjes naar de metro. Het treinstation was groot en modern. Ik had geen kaart en totaal geen idee van het openbaar vervoer, maar ik wist wel dat het zo’n 4 kilometer was naar het appartement van Pierre. Ik kocht een tienbeurtenkaartje voor het openbaar vervoer aan de ingang van de metrotunnel en zocht een plannetje van de stad op. Na een tiental minuten op zo’n een plannetje te staren besloot ik het te wagen. Ik vertrok met een reeks van mogelijkheden voor ogen en met mijn huis op wieltjes achter me aanrollend op weg naar een busstation wat verder.
Ik bereidde me voor op mijn kennismaking met Pierre. Zijn adres bleek naar een groot appartementsgebouw wat buiten het centrum te verwijzen. Hij groette me en droeg mijn tas naar zijn flat. Het was een studio: één grote kamer, met een klein keukentje en een klein badkamertje apart. Het moest volstaan, dacht ik, en ik plofte me in zijn zetel. Pierre bleef rechtstaan.
Ik had dorst, maar ik volgde zijn voorbeeld en stelde me terug recht. Hij woonde in Toulouse vanaf september, om er een master in commerces te doen. De introductie werd verder wat overgeslagen en hij stelde me allerlei vragen in de trant van ‘speel je gitaar?’ ‘welk liedje wil je dat ik speel?’ ‘ken je die artiest, en die?’ Ik wou een goede, ‘beleefde’ eerste indruk maken en antwoordde op zijn vragen. Hij bleek een elektrische gitaar te hebben en hij kende enkele liedjes. Hij wou ze voor mij spelen.
Pierre liet me een plan achter en stelde me voor om ‘s anderendaags ’s middags in het studentenrestaurant te komen eten. Ik bestudeerde het plan en stippelde een tochtje uit. Wat ik zag van Toulouse was weinig interessant. Staten, huizen, auto’s, nog meer straten, nog meer huizen, een autovrije winkelstraat, en dat was het zowat. Ik luisterde wat naar mijn iPod en observeerde wat mensen in hun allergewoonste gangetje. Ik had het gevoel in een sterielere stad te zijn terecht gekomen, vergeleken met meer agressieve en machistische steden als Montpellier en Marseille. Hier liep iedereen ergens naartoe. Iedereen. Zonder omkijken; zonder enkele blikken uit te wisselen om de natuurlijke sociale hiërarchie te bestendigen.
De volgende ochtend vertrok Pierre weer vroeg en ik bleef rustig alleen achter. Ik had hem gezegd dat ik niet weer zou mee-eten in het studentenrestaurant, omdat ik wou gaan joggen. Het weer was evenwel te slecht om effectief te joggen. Ik trok mijn wandelschoenen aan en ging wandelen met mijn hartslagmeter en mijn camera. Ik maakte veel foto’s en probeerde ondertussen mijn hart een gemiddelde van 140 te laten kloppen, wat met mijn conditie geen probleem was. Ik moest zelfs helemaal niet zo snel lopen.
Ik doorkruiste een zuidelijk gedeelte van de stad westwaarts, in de richting de rivier waarlangs deze stad gebouwd is, de Garonne. Hier waren veel oudere gebouwen te zien, gekenmerkt door de opvallende oranjerode baksteen. Ik liep door straten met diamantairs en klerenwinkels van dure merkkleding. Het miezerde, het was geen weer om mensen te observeren.
’s Avonds nam Pierre me mee naar een debat op zijn school, het prestigieuze L’Ecole de Commerces. De school had de politicus Nicolas Dupont-Aignan uitgenodigd, een europarlementslid met een voorgeschiedenis in Parijs. Maar wat een debat heette werd in realiteit eerder een toespraak. Hoewel er een moderator aan elke zijde zat, werd er weinig gemodereerd. Meneer het europarlementslid stootte op weinig weerstand.
Dupont-Aignan bepleitte iets wat niet zo voor de hand lag. Hij was tenslotte tegelijk europarlementslid en overtuigd gaullist. Een gaullist is iemand die – in tegenstelling tot de gemiddelde flamingant – politiek denkt, iemand die de status van de Franse Republiek wil aanzwengelen. Zijn retoriek leek me heen en weer van links- naar rechtsradicaal te slingeren. Hij was een chauvinist, een patriot, zoveel was zeker, maar hij liet zich niet in de typische nationalisten-vallen strikken (misschien wel vooral omdat die vallen door de moderatoren niet goed werden uitgezet). Het ging hem in hoofdzaak over de structuur van de Franse instituties, maar onderliggend kwam het wel (zoals altijd bij populistische sprekers) neer op een soort van superieure identiteit, een superieure Franse (Parijsse?) intellectuele en politieke traditie enzovoort. Het publiek zag niet in dat hun Franse identiteit geen vanzelfsprekend gegeven was – er waren dan ook nauwelijks of geen vreemdelingen in deze école de commerces te zien, laat staan kritische vreemdelingen.
De volgende dag regelde ik mijn afspraak met Romain, die zich het weekend over mij zou ontfermen. Tegen de avond ging ik er naartoe.
Romain wachtte me op aan het metrostation. Hij was vergezeld door Adrian, één van zijn colocatairs. Ze studeerden alle drie voor ingenieur, vertelden ze, en ze hadden alle drie ook couchsurfing.com gebruikt om te reizen. In de zomer hadden ze elk een drietal maanden in een ander continent gereisd: Romain in Rusland en Mongolië; Adrian in Peru; en Pierre in Canada. We aten samen en ik probeerde de gesprekken te volgen. Dat lukte evenwel moeilijk. Ze spraken onderling snel, en over dingen waar ik niet van op de hoogte was. Ze leken mijn aanwezigheid niet echt als een uitwissing te beschouwen, maar eerder een soort wederdienst aan het systeem. Ik was ‘iemand van couchsurfing.’
’s Avonds naar een bar gaan leek mij het leukst, en zij gingen akkoord. We gingen naar een Irish Pub, dronken elk één biertje en speelden wat Jengo (een spel waarin je een toren van balkjes stuk per stok demonteert en hoger opbouwt, waarbij het risico dat hij omvalt dus steeds groter wordt). Na het pintje gingen we slapen.
Toen ik opstond waren de jongens aan het LAN’en: counterstrike. Ik had een afspraak met Hélène (mijn gastvrouw in Perpignan) en we zouden ’s middags de stad wat bezoeken en ’s avonds eventueel uitgaan. Het was zaterdag, en met kerstmis over enkele weken was er veel volk in het centrum. We liepen alle kleine straatjes door en gingen een koffie drinken. Het was wat vreemd om met Hélène in een stad te lopen die ze niet kende. Het was alsof de rollen ineens anders lagen, en ik was beducht om geen romantische signalen uit te sturen, beducht omdat Hélène er in deze context weleens zwaarder aan zou kunnen gaan tillen. We wandelden nog wat en gingen een pint drinken.
’s Avonds gingen we naar een aperitief dat door enkele couchsurfers werd georganiseerd. We dronken er goed door. Hélène en ik hadden graag nog iets actiefs gedaan, iets met wat dansen, maar dat kwam er niet van. Jongeren gaan hier heel wat minder uit zoals bij ons – de prijzen verklaren dat voor een groot deel. ‘Hou je van uitgaan?’ kun je hier daardoor best vertalen door ‘hou je van soirées?’ En dat gaat dan eerder om georganiseerde avondjes bij vrienden met spelletjes, muziek en drank – vaak veel drank – waar dan ook wel al eens wat gedanst en gezongen wordt.
Het werd vlug laat en ik liep met Hélène en haar gastheer mee op weg naar onze slaapplaatsen. Ik sliep de andere kant van de stad. Er reed geen openbaar vervoer ’s nachts dus ik wandelde en wandelde. Ik zag dronken mensen, plaatsen waar feestjes aan de gang waren, en ik had een lange weg af te leggen. Ik kwam een auto tegen die in het midden van de staat stilstond met een draaiende motor, met een slapende vrouw achter het stuur en een slapende man met zijn hoofd op haar schoot. Ik tikte even op het raam. Ze keken wat verdwaast op en ik stak vragend mijn duim omhoog: “Ca va?” Er kwam geen antwoord, uiteraard. Ik haalde mijn schouders op en liep door. Enkele honderden meter verder keek ik nog eens om: de wagen stond er nog steeds, de motor draaiende, de lichten aan. Wellicht dronken.
’s Morgens was ik groggy. De uren slopen voorbij. Mijn volgende gastheer was Paulin. We spraken af ’s avonds om 18 uur. Ik nam de metro naar zijn adres en hij ontving me op meest zachtaardige manier. Poeslief, dat was net wat mijn kater nodig had. En ik had geluk. Ik ontspande me wat in zijn zetel en we praatten gezellig. Hij was om de best mogelijke reden met couchsurfing begonnen. Hij had couchsurfers ontmoet bij vrienden en was zo geïnteresseerd geraakt. Hij nodigde een vriendin uit en we aten samen een tartiflette (samen met de raclette en de kaasfondu een typische schotel op basis van kaas). En ondanks ik herhaaldelijk duidelijk maakte dat ik moe was en weinig zin had in een kroegentocht – gezien mijn kater en mijn wandeling van de vorige dag – liet ik me toch overtuigen om een stapje te zetten. Hij werkte immers steeds laats op weekdagen. Hij werkte in het theater als licht- en geluidstechnicus en werkte van 18 tot 23 uur. Met ons drieën wandelden we wat en we gingen uiteindelijk zitten in een aangename studentenbar om een Leffe te drinken.
Door zijn werk zag ik Paulin weinig 's avond. Een middag gingen we samen wandelen en nam hij me naar een galerijtje die hem erg beviel. Het was voornamelijk georiënteerd op striptekeningen. Er waren veel invloeden van pop-art in te herkennen, en de typische kritieken op onze postmoderne conditie, onze doordeweekse consumptie en oppervlakkige hang naar bevrediging enzovoort. Het smaakte me wel, nog eens wat cultuur tegenkomen die van zichzelf bewust is.
’s Avonds mocht ik een voorstelling bijwonen in het theater waar Paulin ’s avonds werkte. Het was geweldig. Het was bijzonder goed geacteerd, en het stuk zat goed doordacht, menselijk ineen. En na het stuk bleef ik nog wat achter met Paulin terwijl de bezoekers naar huis gingen. Ik hielp hem wat mee het podium opruimen en de afwas van de bar doen. En de acteurs kwamen me met een heel ander gezicht begroeten achter de bar, afwassend. Paulin had me de vorige dag wat ingeleid (hij had zelfs gevraagd iets trager te spreken voor mij) en ze kwamen mij allerlei vragen stellen. Het was vreemd om ze zo de ene moment met een zaal vol toeschouwers te bewonderen en het andere ermee te staan praten over mijn reis. Het leek maar iets kleins en onbelangrijks in vergelijking.
Paulin en ik gingen slapen. De volgende dag nam ik afscheid en ging ik naar Pierre en Céline, een koppel dat wat verder van het centrum woont, in een ruime flat met een tuintje, een hond, en beiden een auto voor de deur. Celine werkt, Pierre studeert nog. We dronken een biertje samen.
Er werd voorgesteld om een schoolvoorstelling in de faculteit wetenschappen bij te wonen. Zoals gewoonlijk zei ik ja. Het bleek echter een nogal bizarre voorstelling te zijn. Het bestond uit monologen van jonge acteur die vertelsels opvoeren over de kindermishandeling die ze zouden hebben doorgemaakt. Heel dramatisch. Maar bizar genoeg werd er tussen de diverse monologen gedanst, en werd het geheel ondersteund door een klein akoestisch live-orkestje. Het was een vreemde opzet. De monologen waren sterk geacteerd, de dans mooi en de muziek origineel en verzorgd, maar het geheel was ontzettend onesthetisch en, erger nog, moraliserend. Het wel leuk om deze jongeren te kunnen observeren maar ik schaamde me wat in hun plaats: wat een schools gedoe.
De volgende dag wou Pierre het wat rustig houden. Het was vrijdag, maar hij wou de dag erop wat doorwerken om wat werk in te halen. Céline was naar haar ouders. We gingen pokeren bij drie van zijn vrienden. We aten samen een geïmproviseerd pastagerecht met een grote toren pannenkoeken als dessert. Na het eten werd een verzameling flessen sterke drank op de tafel uitgespreid. We dronken. Er werd een waterpijp geprepareerd. We dronken en rookten. Jetons werden verdeeld en kaarten geschud. We dronken en rookten en speelden poker.
De volgende dag werkte Pierre van ’s morgens vroeg 7 uur in de woonkamer (terwijl ik sliep) tokkelend op zijn pc. Ik sliep tot ’s middags. Ik maakte me klaar om naar Bordeaux te vertrekken en Pierre voerde me naar een plek om te liften.
Ik liet deze stad achter met een opgelucht hart. Ik voelde me van bij mijn aankomst wat bekneld in het keurslijf dat al de middelmatigheid op me projecteerde. Het enige moment dat ik het gevoel had dat er buiten de grenzen van het massadenken gedacht werd, dat de doos geopend werd en mijn hersenen zuurstof kregen, was in die enkele dagen bij de technicus met de artistieke geest, Paulin. Van Pierre die maar niet kon stoppen over zijn favoriete gitaristen, Romain die me behandelde als een wederdienst aan het systeem, Hélène die misschien wel liefst onder een palmboom wou gaan liggen, het feestje onder couchsurfers waar niks Toulousiaans aan was buiten de wijn, en ook het gezelschap van Pierre en Céline: allen leken ze angstvallig vast te houden aan een zeker middelmatigheid dat ervoor zorgde dat onze gesprekken steeds weer vast dreigden te lopen.
Het effect van al dit vertaalt zich in een nogal neerslachtige vertelling. Maar ja, het maakt het moeilijk om je blik van de bodem af te wenden als je weet dat het schip dreigt vast te lopen. Misschien hou ik er wel een kromme rug van over. Ach ja. Ik heb nochtans geprobeerd om Pierre te stimuleren om zijn muzikale horizonten wat uit te breiden door over mijn passie voor muziek te spreken, ik heb geprobeerd om Romain te betrekken bij wat ik deed, ik heb geprobeerd om Hélène wat ‘zingevende’ boeken aan te raden, en ik heb geprobeerd om op Pierre en Céline interesses over te dragen aangaande de diversiteit aan culturen die ons continent bieden. Maar de gemiddelde Dr House- of Sex and the City-aflevering heeft simpelweg een grotere impact op de levens van deze mensen dan die enkele dagen dat ze met mij samenleven. Misschien kan ik beter op reis gaan tussen de sets in Los Angeles. Trouwens, 'La ville en rose' is eigenlijk oranje.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten