maandag 19 januari 2009

Een leuke bende: oudejaarsavond

Oudejaar beloofde een leuke avond te worden. We werden binnengelaten door een verzorgde brunette die zich voorstelde als Amandine. Het was de eerste van een hele reeks meisjes. Ik had reeds vernomen dat er drie meisjes woonden, maar ik zag er vijf. We groetten en gingen zitten.

Amandine was niet mis. Ik vroeg me af haar ogen daar niet een ‘hmm’ gaven bij het opendoen van de deur, als een soort van esthetische appreciatie. Ik kon haar anders wel esthetisch appreciëren. Mooi lichaam, mooi snoetje. Er zat wel iets niet-Europees in, maar ik kon het niet plaatsen: ze was Frans gekleed, ze sprak accentloos, en in de omgang met anderen was ze helemaal niet meer of minder dan Frans.

De flat bleek door drie meisjes te worden gedeeld. Lisa trok het meest naar ons toe. Ze speelde elke vrijdag squash met Jérémie en ze kende Jérémie en Allan al lang. Ze was aantrekkelijk. Misschien wel het aantrekkelijkst van al. Verder was er Gaëlle, een kleine blondine die veel praatte, maar niet met de mensen die ik al kende, en Violette, een grote brunette de moed had om uit het raam te hangen om in de vrieskou te roken. Ze was blijkbaar de enige die rookte.

Een ander meisje was ook niet onaantrekkelijk. Alleen kon ik er niet iets aantrekkelijk op aanmerken. Ze was groot en had een mooie bos krullen, maar haar ogen zeiden me weinig.

Het volk stroomde langzaam binnen. Ik groette ze. Ik zei mijn naam, zij de hunne, waarop ik die terstond weer vergat en we aten wat hapjes en dronken wijn en Leffes en Grimbergens. Iedereen had er zichtbaar zin in. Er kwam nog een koppel binnen. De leefkamer werd goed gevuld. We waren nu met vijftien en er werd wild heen en weer getetterd. De meisjes brachten ondertussen alles in gereedheid om te eten. Twee raclette-toestellen werden geïnstalleerd op de salontafeltjes en er werden schalen met kaas, charcuterie en gekookte aardappelen geserveerd. Iedereen ging op de grond rond de tafeltjes zitten. De toestelletjes werden ingeschakeld en het smelten kon beginnen.

Het was lekker, en vooral erg Frans. Ik sneed een aardappel in twee en liet er de smeuïge gesmolten kaas over glijden. Het was ontzettend vettig. Maar lekker! Ik deed het opnieuw en opnieuw, totdat ik mijn maag de eerste tekenen van verzadiging voelde geven. Daarna at ik er nog twee en dan liet ik me achterover zakken in de zetel. Eén voor één viel men uit de race om zo snel mogelijk nog een kaasje te smelten. De gesmolten schoteltjes kaas bleven staan en het enthousiasme zwakte af. We dronken een schuimwijn bij wijze van degustatie.

Het meisje dat in het begin de deur voor me opendeed, Amandine, leek iets te hebben met dat andere meisje, die ene met haar krullen waarvan ik haar naam niet kende. Ze knuffelden, ze leken wel te kussen. En ja, ik zag het, ze kusten. Geleidelijk aan kwam ik tot de toegeving dat ze een lesbische relatie had. Niettemin was ik ervan overtuigd dat zij wel iets voor mij zou zijn, en dat ze dus op z’n minst biseksueel zou zijn in haar seksuele oriëntatie.

Een jongen vroeg me wat ik eigenlijk deed. Ik vertelde hem het sensationeel verhaal dat ik een avonturentocht deed in Europa, helemaal alleen, van persoon naar persoon, en steeds heel intiem, bij hen thuis, een stukje meelevend met hun leven. Ik overtuigde mezelf eens temeer van missie en ik voelde me erdoor gesterkt in mijn aanloop naar de roes. En glimlachend nam ik nog een grote slok van mijn schuimwijn.

Opruiende Franse chansons werden uit volle borst meegezongen, en de muziek verdronk in een wild gejoel. Het volume werd opgevoerd en men zong eens te meer mee over hoe onze (de Franse) samenleving was verziekt geraakt. En er werd gedronken.

Er werd gedronken, gepraat en gezongen. We aten fruitsla en chocoladecake en dronken nog wat meer. We verdeelden cadeautjes en ik kreeg een stuk hout dat op een steen leek. (Ik gaf een “Bon pour une bière Belge avec un Belge,” en was dus niet zo heel erg ontgoocheld.)

Het nieuwe jaar werd aangekondigd en iedereen haalde een uurwerk of gsm boven. Sommige horloges waren sneller dan anderen en elkeen om zijn beurt kondigde het nieuwe jaar aan. Maar met het ontpoppen van de champagne werd het nieuwe jaar pas echt aangevangen. “Bonne année!!” En twee kussen voor iedereen.

Het volume van de muziek werd weer opgedreven. Ik keek toe en lachte en danste mee telkens er een ritme en melodie, tussen het schreeuwerig gezang door, te horen was.

Ik praatte en kletste wat met iedereen. Ik praatte over mijn plannen om naar Parijs te gaan met de Parisiennes Manon en Amandine, en ik vroeg hun nummer om daar eventueel een rendez-vous te regelen. En ik vroeg Lisa of ik niet bij hun mocht komen couchsurfen in het weekend. En ja, ik slaagde in mijn opzet, tot drie maal toe.

De avond begon op zijn einde te lopen en we besloten nog even te wachten tot op de eerste metro. We dronken nog wat. ‘Nog eentje om het af te leren,’ maar dan in het Frans. Uiteindelijk waren we op het appartement rond 7 uur.

Ik werd groggy wakker. Het was 10 uur en de twee waren al druk in de weer. Jérémie was hees. Hij was om een brood geweest en ik haalde wat appelsiensap uit de keuken en ontbeet. Het was nog altijd koud in het appartement. Ik douchte en ik installeerde me met mijn laptop op mijn schoot. Ik keek naar de Belgische film, “C’est arrivé pres de chez vous.” ’s Avonds trok ik me weer terug met mijn pc en koptelefoon om de film van Sean Penn, ‘Into the Wild’ voor een tweede maal te bekijken. Het is toch een domme jongen, zo in Alaska gaan alleen zijn en dan sterven: je moet er maar opkomen. En allemaal voor metafysisch troebele notie van waarachtigheid en oprechtheid. Domme jongen!

Ik was blij de volgende ochtend niet op een onmogelijk uur gewekt te worden. Ze hadden me verteld over hun gewoonte om om 8 uur te beginnen werken elke dag. Maar het werd weer 10 uur, en ik had de indruk dat ik me herwonnen had.

Ik sprak via sms af met Lisa, de vriendin van Jérémie die ik had weten te overtuigen om me enkele dagen op hun zetelbed te laten slapen. Het was vrijdag, en Jérémie maakte zich klaar voor een weekend in Lille (“et ne demande pas quel île!”). Allan had ook verplichtingen voor het weekend, en derhalve zat er wel enige druk op dat Lisa mij kon binnennemen. Ik moest ten laatste om 16 uur buiten. En Lisa’s gsm stond af tot rond de middag. Maar dan belde ze mij dat het geen probleem was. Gerustgesteld.

Ik neusde wat rond in de boeken van Jérémie en Allan over het vormgeven en schilderen van miniaturen. Ze hadden een enorme bibliotheek, vol met fotoboeken en boeken met andere artistieke schepsels. Ik zocht naar alles met betrekking tot de geschiedenis van de mystiek, of, leuker gezegd, de geschiedenis van de fantasie. Ik voelde de aantrekking groeien naargelang ik meer dingen vond. Ik schreef enkele titels neer voor later, als ik tijd heb om echt veel te lezen.

Ik ging nog eens langs bij Caroline op weg naar Lisa en haar twee colocatrices. Caroline was aan het praten met een meisje dat blijkbaar ook tijdelijk inwoonde in een kamer en onderhuurde. Ze was een spraakwaterval, en ze sprak me over haar zwervend bestaan, over hoe ze van vriendin naar vriendin ging voor logement, en over haar jaren van werkloosheid. Ze was duidelijk gewoon om in socialistische milieus rond de hangen en ze spaarde geen kritiek. Het systeem werkte overbeschermend, was haar stelling. Ze had het daarbij vooral over haar ouders, maar ook in het algemeen over de oudere generatie die voor ons, de jongere generatie wilde zorgen. Het probleem dat ze schetste was dat we (ze) niet voldoende werden losgelaten, dat het haar niet werd toegelaten om eens op haar bek te gaan, dat het voortdurend werd afgelaten iets zelf te beginnen, en iets creatiefs en origineels met haar leven te doen. En ze ging maar voort, van de hardste feiten over enkele persoonlijke verwijten aan het adres van haar ouders, tot een stelling die van niks dan van een luie vooringenomenheid getuigden. Uiteindelijk liet ze een pauze, en ik profiteerde ervan: Ja, eigenlijk wilt de wereld jou niet, ja! Eigenlijk knoop je jezelf maar beter op! En ze knoopte zich op en ik nam de metro naar Lisa, Gaëlle en Violette.

zaterdag 17 januari 2009

Einde van het jaar

Zoals vaak na een verhuis voelde ik me wat ontworteld. Maar dit maal leek het allemaal te gemakkelijk te gaan. Ik leek uit het oog te verliezen wat ik wou, alsof ik me hier in één of andere middelmatigheid zou vestigen, alsof ik me verloor in compromissen, ik voelde me verscheurd tussen mijn momentane wensen en de tijdelijke uitdrukkingen die ik eraan gaf. Ik geloofde nu eens dit en dan weer dat. Wat was ik nu weer aan het doen? Twee maand en een half, en die dermate eenvoudige vraag leek nooit zo moeilijk te beantwoorden geweest. Ik werd niettemin warm verwelkomd door Caroline en het was er rustig in het appartement. Ik schreef wat. Want ik had heel wat dagen in te halen en heel wat blogs af te werken.

’s Avond zou er een uitwisseling van boeken gebeuren. Het werd weer een soireetje. Er zou rijkelijk gekookt en gegeten worden en erna zouden we boeken uitwisselen. De instructies waren: iedereen koopt het beste boek dat hij of zij ooit gelezen heeft; en die boeken worden dan willekeurig uitgedeeld. Caroline en ik gingen naar een tweedehands boekenwinkel. Ik kocht (voor de vijfde maal ondertussen) Zen en de Kunst van het Motoronderhoud – weliswaar in Franse vertaling.

De maaltijd bleek heel feestelijk. Het was lang geleden dat ik vis gegeten had. We aten en dronken, en na de maaltijd haalde ik een fles whisky boven die ik had gekocht voor een kleine degustatie. Ik praatte over heel zwaarwichtige zaken met Cédéric. Hij vroeg zich zo bijvoorbeeld af of het mogelijk was om niet te verleiden, om zich te onttrekken aan die sociale draaimolen van interacties die altijd weer in het verlengde lijkt te liggen van een oppervlakkige hang naar affectie. Ik zei dat iedereen geliefd wil zijn door iedereen, en dus iedereen enigermate verleidt. Niet verleiden betekent uiteindelijk niet bestaan, of toch op z’n minst: niet bestaan voor de anderen. Het leek tegen enkele van zijn fundamentele levensprincipes in te druisen, ook al wist hij niet meteen waarin hij me kon tegenspreken.

De volgende dag wou ik schrijven. Ik wou mijn stuk over Bordeaux afwerken. En ik maakte ook grote vorderingen. Ik was alleen en genoot van de rust. Niet lang nadat Caroline terug was, kwamen ook Julie en Jérôme me vergezellen. We babbelden wat, en al snel dreef de discussie af naar serieuzere onderwerpen, van de gewoonten van de Lyonaise jongeren, over de televisie, het internet, en ten slotte het verderf van de wereld en alles wat daarbij hoort. Ze bleken er wel voor uit te komen dat ze tot de categorie bourgeois-bohème behoorden, hoe alternatief ze zich ook kleedden, en hoe zuinig ze ook omsprongen met energie en grondstoffen. Het is eenvoudig: wij blijven rustig ons gewone gangetje gaan, terwijl de rest van de wereld kreunt onder de tekorten; wij maken deel uit van die bourgeoisie waar mensen als ons al decennia lang hun venijn op richtten – hoe venijnig onze kritieken vandaag ook nog zijn: we gaan door.

De volgende dag werd eveneens een schrijfdag. ’s Avonds ging ik met Caroline naar een couchsurfing-meeting. In het begin ergerde ik me weer wat aan de gesprekken onder die behaagzieke mensen die zich couchsurfers noemden (‘mensen zonder vrienden’, vatte ik ze samen).

Ik leerde ook Jérémie kennen. Hij was al langer lid van couchsurfing maar had voordien nog nooit van dit soort meetings gehoord. Couchsurfing was dus ook een community in het echt. Hij had het net ontdekt en was er nu dus in Lyon voor het eerst bij. Ik vertelde dat dit soort meetings wat lijken op plaatsen waar mensen zonder vrienden elkaar treffen.

Caroline en ik spraken hem over oudejaarsavond en vroegen hem wat hij zou doen, en of we eventueel mee zouden mogen doen. Hij zei onmiddellijk ja en hij nodigde ons uit voor alles en nog wat. Hij prijsde zijn flat zo bijvoorbeeld aan als de beste plaats om te couchsurfen waarop ik vroeg of ik eventueel naar zijn flat mocht verhuizen. ‘Geen probleem’, en dat was ook zijn antwoord op al onze andere vragen. Hij nodigde ons uit om de volgende dag een thee te komen drinken op zijn flat. We namen afscheid en gingen slapen.

De volgende dag voelde ik me wat groggy van de vele biertjes. We aten en gingen naar Jérémie. Het regende dus deden we behoorlijk weinig. Jérémie’s colocatair Allan was aan het werk. Ze werkten beiden als beeldhouwer/knutselaars: ze maakten kleine modelletjes van cartoon- en tekenfilm-figuren. Jérémie en Allan hadden van hun hobby hun werk gemaakt.

De volgende dag – de laatste dag van het jaar – ging ik tegen de avond samen met Caroline naar Jérémie. Ik maakte mijn slaapplaats in hun atelier en we praatten nog wat. Vervolgens vertrokken met ons vieren, met Alan, Jérémie, Caroline en ik, naar de soiree waarop we uitgenodigd waren. Allan was 23 en bleek heel gepassioneerd in zijn werk. Wat ooit als hobby begon, zorgde er nu voor dat hij heel wat erkenning in het professionele milieu van het ‘figurisme’ kreeg.

donderdag 15 januari 2009

Kerst in Lyon

In Lyon werd ik opgewacht door Eric. Het was Kerstavond en we zouden dineren bij een couchsurfster van Quebec die hier tijdelijk in een colocation onderhuurde. Eric leidde mij op een drafje door het ingewikkelde openbare vervoersnet en ik snelde met mijn valies achter hem aan. We kwamen uiteindelijk terecht bij een adres in Cours Gambetta, een drukke laan in het hart van Lyon. Het was een groot appartement en ik werd warm en in een aangename sfeer ontvangen. Eric, de Quebecse Caroline, en een vriend van Eric, Yann, die ik ook eerder al had ontmoet, ontvingen me met een geïnteresseerde houding, met een gezellig plaatsje in hun midden waarin ik me kon thuis voelen – in deze periode van naastenliefde.

Met wat improvisatie werd een kalkoen bereid. We aten elk meer dan we opkonden en dronken verschillende flessen wijn. We dronken de hele avond door en speelden nog wat spelletjes en praatten. Het werd laat, algauw te laat om een metro te nemen, en we besloten om te blijven slapen.

De volgende dag gingen we een ontbijt kopen in een supermarkt en we aten samen op de flat. Yann wou een rollerskate-tocht maken door de stad en stelde voor dat Caroline en ik een fietsje namen en meegingen. Eric ging zich douchen ging later achterkomen. En zodus gingen wij alvast op weg. We reden door het park en praatten. Het was gezellig.

Het was kerstdag. Het was koud maar het park krioelde van de jonge ouders met buggy’s en kleuters. Ik ontwikkelde de theorie dat we niet te naïef mogen zijn ten aanzien van die schattige kleine mensenjongen. Het is immers een reusachtig complot: ooit zullen zij allen samenspannen om ons van de macht te verdrijven! Ooit zullen zij onze plaats innemen! Hoe hard we ook werken, hoe hard we ook proberen: ze zijn als aliens die een invasie voorbereiden, die lieve schattige dreumesjes met hun snoezig bolle rode wangetjes. Ze zijn uit op de macht over de aarde en al wat errond zweeft, en je bespeurt het nu al in de glans in de ogen van sommigen onder hen: ze zijn genadeloos! Wees gewaarschuwd!

Yann was iemand die mijn humor wel kon lusten. En de Quebecse Caroline lachte geamuseerd mee. Ik kon na zaterdag (wanneer Eric en Yann naar Engeland vertrekken) misschien wel bij Caroline logeren en ik speelde daar enigszins strategisch op in. Ze sprak wel met een vreemd accent, en ze gebruikte veel woorden en uitdrukkingen die ik niet kende, of ze gebruikte ze anders. In Quebec gebeurt alles bijvoorbeeld ‘tantôt’ (net als ‘à tout à l’heure’ betekent het ‘straks’ en ‘zoëven’). Maar in Quebec gebeurt gewoonweg alles ‘tantôt’.

We wandelden en praatten gemoedelijk. Het was een feestdag, een dag zonder verplichtingen, en zo kuierden we gelijkmoedig tot zonsondergang. Eric liet maar laat van zich horen. Yann had een afspraakje met zijn vriendin en Caroline en ik spraken af met Eric en het centrum. We gingen met ons drieën vervolgens een pint drinken in een Irish Pub.

Ze stelden me de meest onmogelijke vragen over filosofie en mijn favoriete filosofische systemen. Ik vertelde dat ik van alle filosofie hield, die geen mentale masturbatie inhield. Ik bedoelde het ironisch – voorzover ik weet is alle filosofie grotendeels ontsproten uit mentale masturbatie – maar Caroline verstond ‘metaal’ in plaats van mentaal en we probeerden ons allen voor te stellen hoe masturberend metaal eruit zou zien. Een beetje naast de kwestie maar wel grappig.

Later legde ik Heideggers ‘Lichtung’ uit als een fijne spleet waarin alle bewuste handelen gebeurt, een spleet die ik voorstelde met mijn twee handen, eerst samenknijpend op elkaar gedrukt, als in bidhouding, en dan de palmen lichtjes openend, alsof ik een opening maak waardoor het licht te zien door de samengedrukte handen heen. En dan zei ik: dit is Heideggers ‘lichting’, de speling in het Zijn: de speling waarin het handelen afspeelt – de speling die bij de dieren niet bestaat, waardoor zij blijven steken in instinctieve gedragingen. Wij hebben die ook, maar wij hebben een speling, een ruimte waarin de reflectie aangrijpt, een speling waarin het licht schijnt op onze handpalmen, waardoor onze palmen als het ware elkaar kunnen zien.

Een knik en een ‘hmm’ bevredigden mijn kleine peroratie. Maar ze hadden het begrepen, en dat voelde goed. – Ik ook, ik had het begrepen: Leffe bevordert de luciditeit – quod erat demonstrandum.

We gingen eten bij Eric. Er waren nog enkele dingen die dringend op moesten. Yann kwam ons bij Eric vergezellen en we aten, dronken en praatten. Yann hield ervan op over de sociale samenstelling van de verschillende Franse steden te praatten, en, specifiek, over het gemak waarmee een man een vrouw aanspreekt. In Lyon was dit blijkbaar niet zo vanzelfsprekend. Hij vertelde dat iemand die mensen hier op straat aanspreekt al vlug als freak wordt beschouwd, en hij zei dat de meerderheid zowat in hun milieu blijft hangen, dat je welhaast uitsluitend mensen leert kennen als je in bepaalde netwerken zit. Ik zei dat je toch altijd bepaalde trajecten hebt waarop je steeds dezelfde mensen tegenkomt, waardoor je je van langsom vertrouwder bij mekaar begint te voelen, en waardoor contact niet meer zo vreemd wordt ervaren. Yann hield voet bij stuk dat dit in Lyon anders is, en ik gaf toe dat ik moeilijk kon vergelijken, enerzijds vanuit mijn gebrek aan ervaring, en anderzijds gezien het eenvoudige feit dat ik nu in Lyon ben en niet ergens anders, en dat elke abstractie van hieruit gebeurt.

Nadat Caroline en Yann vertrokken keken Eric en ik enkele afleveringetjes van Californication, en erna gingen we slapen. De volgende dag hadden we met Yann en Caroline afgesproken in het centrum. Het was vakantie voor Yann en Eric en ze profiteerden ervan om buiten te zijn. Yann was weer op rollerskates – en ik benijdde hem ervoor. Caroline had gezelschap meegebracht, Cédéric, een jongen met een driepotige hond. Zijn hond had geen leiband maar luisterde blijkbaar goed genoeg. Caroline stelde Cédéric voor en vertelde dat hij tijdelijk in de colocation verbleef. Hij was de broer van Jérôme, die op zijn beurt de vriend was van één van de colocatrices. Het duurde even vooraleer ik begreep wie waar precies woonde en waarom. Cédéric en Jérôme waren in Lyon opgegroeid, en ze vierden de feesten bij hun ouders. Daarom logeerde Cédéric bij zijn broer Jérôme, diens vriendin, Julie, en Caroline.

Cédéric was afkomstig van een stadje in de Provence net boven Aix-en-Provence. Hij was architect, maar had kennelijk overdachte idealen, en al snel nadat ik zei dat ik filosofie had gestudeerd, kwam zijn tong los en werden er met veel zin voor nuance tal van interessante denkbeelden geschetst. Hij vertelde over oosterse en westerse systemen van zingeving en schetste zijn geprefereerde verhouding van (westerse) filosofie en Taoïsme.

Hij was wat slordig gekleed, als een ‘babacool’ zoals dat hier heet, een hippie, maar hij was helemaal niet tegen alles en nog wat, zoals de doorsnee anarchist. Hij had meer interessants te vertellen, en had een opmerkelijk positieve en ontvankelijke attitude. Hij deed me wat aan Coelho’s Alchemist denken. Hij had architectuur gestudeerd maar had na zijn studies twee jaar schapen gehoed om in de Provence als herder te leven, vooraleer zich in het raderwerk van de moderne wereld te smijten – en er uit alle macht in mee te proberen draaien. Hij was echt niet bitter, zo bleek, en hij beschreef hoe hij zich vrij en gerespecteerd voelde in de firma waar hij thans in meedraaide. In zijn blik was de ontspannen afstandelijkheid af te lezen van iemand die weet wat hij wil. We liepen door de Lyonaise hoofdstraten en hij hield zich kennelijk volkomen afzijdig tegenover het hyperburgerlijke tafereel dat zich voor ons afspeelde. Hoe onaangepast hij ook leek, hij leek in zekere zin te houden van deze in en uit elkaar krioelende massa. Hij leek er zijn thuis in te vinden, in de massa. En ondertussen volgde zijn blik volgde zijn hond, heen- en weerhollend door de massa, gerustgesteld dat die steeds terugkwam, gehoorzamend, eensgezind met zijn baasje.

We liepen het historische centrum in, en volgden een route door allerlei ‘traboules,’ kleine sluipweggetjes langs binnenplaatsen en tussen de gebouwen door. Langzaam aan klommen we de heuvel op. De trappen volgden elkaar op. Bovenop de heuvel stond een basiliek en een kleinere versie van de Eifeltoren te pronken. We namen een foto en genoten het zicht over de stad. Het was bewolkt, en de stad grijs en grauw. Lyon is een grote stad, maar in tegenstelling tot vele andere grootsteden betekent die grootte hier gewoon veel van hetzelfde. Het enige wat er in het landschap wat uitsprong was ‘het potlood’, een grote bruine cilindervormige toren met een piramide (en een grote Crédit Lyonais-lichtreclame) op het dak. Het landschap bestond verder grotendeels uit hoge herenhuizen van wel acht verdiepen. En vooral veel van hetzelfde. We zochten een bar op voor iets warms en begonnen de afdaling.

Ondertussen stond Yann nog steeds op rollerskates. Een trap opwandelen met die dingen, had nog niet zo moeilijk gebleken. Maar de weg die we namen voor de afdaling, bleek een pak moeilijker. Grote treden die licht afhelden gaven een serieuze knik elke meter. Yann waagde een slalom, maar elke meter, elke trede vormde een reusachtige hindernis. Hij waagde zijn leven. Wij lachten uitgelaten om zijn geknoei. Het reed uiteindelijk van muur naar muur, afremmend door zich te laten botsen ‘knal’ op de muur. Ongeveer veertig minuten aan een stuk balanceerde Yann zich spastisch met zijn armen om zich heen zwierend, terwijl Caroline, Eric en ik onze lach nauwelijks konden inhouden. Ik maakte er een filmpje van.

Langzaam aan daalden we af naar het stadcentrum en mijn lust naar interculturele vergelijking fluisterde me toe een kebab te gaan eten. En dat deden we ook. En er zijn uiteraard veel gelijkenissen. Zo vragen ze ook hier: “Met alle groenten?” met een belabberd accent en alles erop en eraan. Maar er zijn inderdaad ook verschillen. We betaalden 4 euro 50 voor een fijne (naar Overpoort-maatstaven) Durum met frieten; het vlees was opvallend weinig gekruid en ook de saus was slap van smaak; maar er werd ons wel een karafje water met bekertjes geserveerd. Maar ik had toch zin in een goeie ouwe ‘pitta met cocktail- en looksaus alsjeblief: ja met alles erop.’ Maar interessant!

Na het avondmaal gingen we naar de colocation van Caroline. We zagen er Cédéric terug, en maakten kennis met zijn broer, en de vriendin van zijn broer, en een hele reeks andere mensen. Er was een klein soireetje aan de gang. Ze moesten nog beginnen eten. Ik probeerde Heideggers metafoor voor het bewustzijn nog eens uit te leggen, maar nu aan Cédéric, en ik legde het uit als de ruimte die tussen mijn hand en mijn ogen is, waardoor een reflectie kan optreden van lichtstralen, en waardoor het zichtbaar wordt. Ik hield de hand voor de ogen en nam geleidelijk afstand. Dit was een andere metafoor, maar ik vond het ook sterk, als fundamentele filosofie, als ‘metafysica.’

Ik had er met Caroline al van de eerste dag over gesproken en ik zou vanaf de volgende dag tijdelijk deel uitmaken van haar colocation. Er was in elk geval plaats genoeg, en een betere ligging om de stad te verkennen kon mij hoegenaamd niet indenken. De colocatairs vertelden me dat ze geen nood hadden aan een website als couchsurfing, want er waren voortdurend vrienden of kennissen op bezoek. Twee zetelbedden en een matras in de leefkamer getuigden daarvan. Ze waren goed uitgerust om gasten te ontvangen.

Eric en Yann vertrokken de dag nadien op reis voor een weekje Engeland. Ik vertrok met Eric voor de laatste keer naar Villeurbanne. De volgende ochtend wekte hij me met verste koffiekoeken. Hij zette het ontbijt op het terras en we aten in een fris winterzonnetje met uitzicht over het moderne Place Grandclément. Eric vertelde dat dit misschien wel nog de nieuwe hippe wijk van Lyon kon worden. Het is modern, hip, levendig, en alles is er aanwezig. Een centrum buiten het centrum – maar betaalbaar en mensvriendelijk.

We reden samen naar het centrum. Ik ging nog eens mee afscheid nemen van Yann, en ik zocht Caroline op.

zaterdag 10 januari 2009

Na zonsondergang en ook eens net ervoor

Ik ontmoette Gaël niet ver van Sophie’s flat op een straathoek. Ik had Gaël leren kennen op de couchsurfing-meeting bij Jérôme en Fabrice en David. Hij ontwikkelde websites als beroep. Dat wist ik al. Maar die meeting was ook de eerste meeting die hij had bijgewoond, en ik was ook zijn eerste gast. Hij had net gedaan met werken en deelde me zijn agenda mee. We hadden een rijkelijk gevuld programma voor ’s avonds. Hij moest de volgende dag (een vrijdag) werken, maar we zouden niettemin uitgaan. We zouden eerst iets kleins eten, mij wat installeren, en erna direct doorgaan naar een feestje. Het was een soort van Erasmusfeestje, met pannenkoeken en drank. Erna zouden we naar de stad trekken.

Gaël woonde ver van het centrum, te ver om te voet te gaan. Nadat we mijn spullen op zijn flat hadden achtergelaten gingen we nog even langs in een supermarkt en kochten we wat wijn en bier voor het feestje. Zodra we uit de supermarkt kwamen werden de eerste blikjes geopend. We dronken op straat, in de tram, en we liepen met pint in de hand de hele universiteitscampus door. Gaël had Algerijnse roots, maar hij was atheïst. Hij bleek algauw een waar hedonist. Bier, cannabis en vrouwen vormden zijn voornaamste bekommernissen.

In de residentie waar we terechtkwamen zaten niet enkel erasmusstudenten, maar ook Franse studenten. Gaël was uitgenodigd door zo’n jonge Fransman, een Bretoen die voor de eerste keer in zijn leven crêpes zou maken. Als aperitief dronken we witte wijn met een bessensiroop en limonade en later aten we de crêpes (of toch degene die gelukt waren) met geitenkaas, eendenborst en een schelletje spek, overstrooid met wat Emmentaal. Het idee schrikte me wat af, maar de smaak viel goed mee. Ook moest ik dringend de alcohol verdunnen die in mijn maag op zijn opname wachtte. Het eten deed me goed. Ik kon er weer tegenaan. Na het eten werd nog een joint gerold. Ik bewoog me in het fragiele grensgebied tussen enthousiasme, roes, en dwaasheid.

Met vier gingen we met een tram naar het centrum. We dronken nog een fles wijn in de tram. We dronken en gedroegen ons ontspannen onverantwoord. We stapten af en liepen naar Place de la Victoire, een plein met heel wat studentenbars. We liepen enkele cafés tegemoet met veel volk buiten op straat. Het was de laatste donderdag voor de Kerstvakantie en voor velen betekende dit een geldig excuus om nog eens decadent in de drank te vliegen. Er lag iemand uitgeteld op het trottoir. Hij leek zich met veel moeite overeind te houdend tegen een muur, die op zijn beurt steeds weer van hem af leek te schuiven. Muren zijn toch zo’n godverdomse klootzakken! trachtte ik sympathiek met hem mee te denken. Ik keek rond en nam wat foto’s.

Twee meisjes vlogen rond ons vieren. Wie ze waren wist ik niet, wel wist ik dat ze wouden kennis maken. Ik zei mijn naam. Zij de hunne. Wat die waren weet ik niet meer. Ze waren dronken. Ik ook. Ik lachte ze plagerig uit om elke luttele dwaze reden.

We lieten ze achter en gingen naar een ‘rumerie’ (een bar waar ze enkel dranken op basis van rum serveren). We dronken en keken wat rond. We dronken snel, er was weinig ambiance, en we verlieten de rumerie algauw weer, met als doel een bar waar wat bewogen wordt. De bar waar we terechtkwamen bleek ‘Nieuw Amsterdam’ te heten. Het was in de kelder te doen. Er speelde elektronische muziek. Een lange zaal strekte zich uit van drankbar tot discobar. Overal zat volk opgepakt. We wrongen ons naar achteren. Een damp sloeg om ons heen. Halfweg de zaal voelde ik de zweetparels al op mijn gezicht vormen. We werden nat van het zweet van anderen. Ik riep het in Gaëls oor. Hij knikte en we liepen verder.

Boven de discobar hingen twee immense ventilators die de vochtige lucht voldoende in beweging hielden om de condensatie te vermijden. We vochtten om een plaatsje in de luchtstroom te bemachtigen. Maar te veel natte lichamen die tegen me aan wreven. Ik verwijderde richting bar. Gaël volgde en we besloten een pintje te drinken.

De zaal sloot vroeg. We werden verzocht naar buiten te gaan. Ik vroeg Gaëls vriend om nog een jointje te rollen. We gingen wat verder van de uitgang staan. Er liep een groepje langs. Ik vroeg of ze Bordelais waren, waar ze heen gingen, of het daar leuk was… Mijn accent verraadde me en ik gaf de gewoonlijke uitleg: ‘België’, ‘Vlaanderen,’ ‘op reis’ enzovoort. Een koppel liep langs. Ik hield ze tegen en we praatten en deelden ook deze nieuwe gesprekspartners met iedereen. We rookten enkele joints en dronken wijn met onze nieuwe vrienden en vriendinnen. Het was niet erg koud en we hadden geen haast.

Uiteindelijk gingen we toch langzaam op weg. Onze nieuwe vrienden bleven achter en we begonnen een wandeltocht die (op tempo) 40 minuten zou duren (volgens Gaëls schatting). We rekenden er evenwel op dat we in onze toestand toch wel een negentigtal minuten onderweg zouden zijn. Maar we hadden tijd – ik toch. We kochten nog wat bier in een nachtwinkel en gingen op wandel.

Aan de overkant van de straat liep een grote geblokte kerel met de arm rond de nek van een iets kleinere jongeman. De grote riep intimiderende woorden naar de kleinere. Het ging om iets met een mes. We vertraagden en stopten uiteindelijk om te kijken wat dit gaf. Entertainment – zoveel was zeker. Er waren nog enkele anderen aan de overkant van de straat, al besteedden die er kennelijk niet veel aandacht aan. Het was vreemd. Toch wou ik het niet negeren. Gaëls vriend rolde nog een joint en we werden vergezeld door enkele mensen die ook van het centrum achter ons aankwamen. We maakten kennis en praatten over de twee aan de overkant van de straat. Ze kenden de grote kerel. Ik vroeg om tussen beiden te komen voor het uit de hand liep, maar ze besteedden er niet te veel aandacht aan. Er kwam een meisje in mijn perspectief binnengewandeld. Ik lachte haar toe. Ze gebaarde me naar haar te komen. Ik vroeg of ze wilde dat ik… En ze kuste me nog voordat ik haar kon kussen. Bah. Ik trok me gedegouteerd van haar weg: ‘je rookt! je smaakt niet goed!’ Ze toonde haar sigaret. En ik draaide me weg.

Deze mensen waren leuke mensen. Ze waren dronken, maar ze waren niet marginaal (de associatie komt nochtans vaak voor in Frankrijk). Maar dit waren, zoals de meeste Bordelais, bobo’s (bourgeois-bohèmes), en in tegenstelling tot de doorsnee bobo waren ze er niet verlegen over. Ze namen het als een realiteit, eerder dan als een verwijt. Het waren mooie, welverzorgde mensen; ‘alternatief,’ (naar eigen zeggen, en naar de symbolen die ze dragen, politiek linksradicaal, of zelfs anarchistisch) maar duidelijk welbemiddeld.

We onttrokken ons langzaam en niet zonder enige moeite van het groepje. Het werd laat. Twee jongens moesten dezelfde richting uit. Er werd onzin gesproken. Ik praatte onzin mee, incoherent maar entertainend/geëntertaind.

Voor we gingen slapen, aten Gaël en ik nog een portie Nutella met wat kroetjes oud brood. Gaël had nog twee uur en een half vooraleer hij naar zijn werk moest vertrekken – om acht uur lang op een computerscherm te zitten staren. Hij werd van de gedachte alleen al slaperig. Dat kwam goed uit, want ik was ook moe.

Ik stond op rond drie uur in de middag en vulde mijn middag met zoeken naar eten en vervolgens, eten. Het was vrijdagavond. Gaël had me al gesproken van een drum ’n bass. Ik wist niet meer helemaal zeker of ons dat wel zou lukken, gezien die licht pulserende waas in mijn hoofd.

Met Gaël en zijn colocatair Français gingen we inkopen gaan doen in een nabije supermarkt. Ik zou voor het avondmaal zorgen: spaghetti bolognaise! Iedereen tevreden. We kochten ook wat drank voor erna.

Na de maaltijd begonnen we zonder veel overleg aan wat op een rituele alcoholopname leek. Ik was nieuwsgierig waartoe dit weer leiden zou. Alles voor van de wetenschap, dacht ik, en ik dronk mee. We namen al drinkend, met een fles Muskat in de hand, de tram en gingen naar de rumerie want Gaël had er afgesproken met de twee dronken meisjes van de dag ervoor.

De rumerie draaide zwakke muziek, maar ik besteedde er weinig aandacht aan. We praatten en namen foto’s. We namen uiteindelijk één van de laatste trams naar de club waar de drum ’n bass plaatsvond. Er was weinig volk. Er werd wel gedanst, maar de sfeer had iets vreemd, iets hards, iets gemeens. De drank was duur en het was alsof iedereen vanuit een eigen wereldje in de club terechtkwam. Ik had zin in een feestelijke openheid, een onvoorwaardelijk zeveren met iedereen, dat, ofwel, meer bedwelming, meer roes. Ik opteerde uiteindelijk voor dit laatste. Louter uit gebrek aan alternatief. Wiet zou me een uitweg bieden. En ik ging mee met de rokers naar buiten. En ja, daar waren ze. Ik vond de wietrokende jeugd. Ik stelde me voor met de uitleg dat ik niet wist hoe je dit hier hoort te formuleren, maar dat ik graag een jointje zou afkopen, en ik raakte aan de praat. Het bleek dat afkopen hier niet gebruikelijk was. Er werd me wel een trekje aangeboden van een jointje dat rondging. En dan nog een jointje. Hash deze keer. Lekker. Wel straf. Ik proefde en gaf het door, en al vlug kwam het volgende.

Ik bleef hangen in het kringetje en sloeg een praatje over het uitgangsleven in Frankrijk, de verschillende muzikale scènes, mijn smaak en ‘de Belgische smaken,’ en mijn onbegrip voor de belachelijk hoge prijzen en vijandige condities waar men in Frankrijk mee te maken krijgt als men eens wat wilt uitgaan.

Terug binnen danste ik vrijelijk en ongeremd. Mijn wereldje was het beste. Ik daagde de meisjes uit.

De avond sloot zoals gewoonlijk af op straat. De club sloot en Gaël zocht een rit voor ons beiden. Iemand was inderdaad goed genoeg ons mee te voeren en we werden afgezet voor het appartement van Gaël. We sliepen weer een groot deel van de dag weg. We ontbeten en hielden ons rustig tot ’s avonds.

De colocatair van Gaël, François, ging naar een hardtek-feestje en we werden voorgesteld om hem te vergezellen. Ik voelde me geradbraakt en uitte mijn twijfels. Maar ik liet me uiteindelijk toch overtuigen. Het was zaterdagavond.

Op de tram kwam een bende dronkenlappen naast ons plaatsnemen. Dronken op zo een hypermoderne tram: ik kon toch moeilijk aan dat beeld wennen; en nog minder aan dit dermate geanimeerd beeld voor me van luidruchtige, drankmorsende macho’s, allen op weg naar het hardtek-feestje. Je zou voor minder met hun anarchistische idealen de spot drijven.

Maar er was nog meer. Net voor onze aankomst gooide er één een fles achter zich, wat in het wilde weg. Het leidde tot een schreeuw. Een grote kerel met dreadlocks vroeg provocerend of hij er als een vuilbak uitzag. Geen reactie. Enkel wat onverantwoord grijnzen. De vuilbak in kwestie besloot dan maar dat de flessenwerpende macho zijn vraag niet serieus genoeg opnam en wierp zich op de ander. Ik zag het voor me gebeuren. De tram stopte en Gaël en enkele gealarmeerde zielen riepen dat we eruit moesten voor het te laat was. En dat deden we. De laatsten spurtten uit de tram en de tram vertrok met de twee knuffelende macho’s. Al hun vrienden waren eruit. – Nu hadden ze niemand meer om hen tegen te bewijzen, dacht ik, en ik vroeg me af wat ze nu gingen doen.

Het feestje ging er zo mogelijk nog vijandiger aan toe. De buitensmijters keken stoer en het grootste deel van het publiek was verkleed als anarchist. De onbestemde haat gaf er een luchtje van hypocrisie aan dat ik zelf niet met de meeste ironie wist te parodiëren – wetend dat dit feestje in een discotheek plaatsvindt met strenge regels en belachelijke prijzen voor entree en drank. Anarchisten? Mijn kloten ja!

Ik sprak enkele meisjes aan links en rechts met de vraag of ze Bordelais waren en ik deed enkele wandelingetjes. Hier hadden ze geen gevoel voor zelfrelativering, daagde me, alles dramatisch, niks parodisch. Ik snakte naar een jointje maar vond geen troost. François voerde ons terug.

De dag erop organiseerde Gaël een uitstapje naar zee. Ik wist weer helemaal niet waaraan ik me moest verwachten. Vragen naar verduidelijking werden steeds weer beantwoord met broebelzinnen die me ontraadden mijn vraag te specificeren.

Met vijf in een auto reden we zestig kilometer naar de zee. Het was mooi weer maar het was al laat. We zouden net op tijd zijn voor de zon van op een duin te zien ondergaan. Het zou mooi zijn, werd mij verteld. Er werd een joint gerold en opgestoken, en heel de auto raakte bevangen in een doordringende walm van hash, die als een waas in hoofd werd vertaald. Er werd een tweede joint gerold. Ik dacht wat na over de ledigheid en oppervlakkigheid die ermee gepaard ging.

Eenmaal aangekomen confronteerden we een stroom toeristen die allemaal de tegengestelde richting uitgingen. Het leek me voor de hand liggend dat ze een goede reden hadden om in die richting te bewegen. Wij gingen niettemin tegen de stroom in. Het pad voerde ons naar een immense zandberg. Dit was de hoogste duin van Europa, werd mij verteld. Ik liet hen vooropgaan en nam me voor me niet moe te maken. Ik bemerkte al snel hun overmoed.

Langzaam daagde de zon van achter de immense duin. We kwamen in een uitgestrekte openheid terecht, met een prachtige gelige horizon, waar die o zo vertrouwde gele bol net boven prijkte. Schitterend. Echt: in mijn ogen. Ik kneep ze wat dicht opdat het wat minder pijn zou doen. We trokken foto’s, zonder ophouden. De kleuren veranderden langzaam van geel in oranje, roze, rood, purper, met alle tussenliggende tinten in overweldigende combinaties. We rookten wat wiet en dronken wat. Langzaam dook de zon onder de horizon weg in de zee. Gaël vertelde dat hij in de zomer ooit eens met enkele vrienden de hele nacht heeft zitten wachten met de blik naar de zee gericht, wachtend totdat de zon weer opkwam. Hij vertelde hoe hij op een bepaald moment achter zich keek en zag… Trop con.

Eenmaal het draaien van de aarde de laatste tinten van de gloed had ontnomen, besloten we de helling terug af te dalen. Het was stijl en het zand was mul. We besloten dan maar te lopen naar beneden. Elke stap was een sprong in het zwarte niks. Elke stap was een nieuw soort zinloos geweld, een zinloos geweld tegen mezelf, tegen elke gezonde redenering. Maar leuk, om één of andere reden.

De volgende dagen plande ik mijn verblijf voor tijdens de feestperiode. Ik zou voor kerst en Nieuwjaar naar Lyon gaan. Eric, mijn eerste gastheer in deze reis, zou me drie dagen kunnen ontvangen. Hij zou Nieuwjaar in Engeland vieren. Maar die drie dagen had hij ook verlof, en hij overtuigde me om naar Lyon te komen. Er waren hoe dan ook genoeg couchsurfers in Lyon aanwezig om me te behelpen voor Oudejaarsavond en erna. Ik hoopte evenwel stiekem dat ik via Eric mensen zou ontmoeten die me zouden kunnen helpen. Ik zou vertrekken naar de andere kant van het land met zekerheid qua verblijf voor niet meer dan drie nachten. Weer een sprongetje in het zwarte niks. Ook leuk om één of andere duistere reden.

Woensdag nam ik uiteindelijk de trein, met bestemming Lyon. Een rit van vijf uur in een overvolle, kletterend heen en weer schommelende trein. Ik kwam goed geschud toe, klaar voor gebruik. Kerstavond mocht beginnen.

zaterdag 27 december 2008

Netwerkmensen in een Bourgeoisstad

Er werd een couchsurfing-kerstfeestje gepland. De hele woonkamer werd omgevormd tot een speelkamer. Fabrice had een geschikt spel uitgedokterd voor een 15-tal mensen. Iedereen zou een klein cadeautje meebrengen voor een ander en met allerlei spelletjes zouden de cadeautjes verdeeld worden.

De gasten waren allemaal beleefd en verzorgd, maar ze leken allemaal de eigenschap gemeen te hebben dat ze wat charisma missen – een eigenschap typisch voor couchsurfers en andere ‘verdoofde’ moderne mensen: verdoofd door een leven van televisiekijken en koffiekletsjes met kennissen, een leven zonder diepgaandere connecties, zonder vrienden: een leven gereguleerd door koude, gladde netwerken.

We speelden de spelletjes onder leiding van de nichterige moderator Fabrice. Het was druk en mensen spraken wild en met weinig coherentie. Ik ergerde me wat aan de kinderlijke enthousiasme waarin de nobele couchsurfing-idealen leken te verdrinken. Tegen het einde van de middag was ik uitgeput en van langsom meer woorden gingen aan mij voorbij. ’s Avonds sliep ik als een blok.

Mijn verblijf bij de Jérôme, Fabrice en David ging verder wat geruisloos voorbij. Ik reflecteerde met Jérôme over mijn meest onmogelijke dromen, ik ergerde me aan het gebrek aan openheid en nieuwsgierigheid van Fabrice, en ik praatte met David over de geaardheid van zijn huisgenoten. Het huis waar ik logeerde was tenslotte zijn eigendom. Hij legde me uit dat het een huis was dat zijn familie had gekocht, dat het te groot was voor hem alleen en dat hij altijd al colocatairs had gehad. Toen hij nog studeerde liet hij altijd buitenlandse studenten de vrije kamers gebruiken, maar nu de laatste twee jaren had hij via couchsurfing Fabrice en Jérôme leren kennen en hij vond het wel een goed idee om het huis met hen te delen. Hij tilde er nauwelijks aan dat ze beiden homo zijn. Ik vond het maar wat vreemd, en ik weerhield hem die mening ook niet. Maar hij zei me dat ze hem niks vertellen over wat ze ‘achter hun kamerdeuren deden.’ Ik stemde ermee in dat je die fantasieën van mannen met mannen maar liever niet hoort. Hij zei dat hij een traditionele man was – en van dingen met vier personen zou hij al zeker niks moeten weten (gerekend: hij en zijn vriendin, plus de twee homo’s). “Hehe,” antwoordde ik.

Dinsdag vertrok ik naar Sophie. Fabrice en Jérôme kenden haar, maar ze hadden er weinig goeds over te vertellen. Niks slechts ook, gewoon dat ze nogal luid spreekt – en snel – en veel. Zonder het als een argument in de discussie te werpen bleef ik bij mijn standpunt: ze ziet eruit als een lekker wijf. Ik had die ene foto op haar profiel goed genoeg bestudeerd om in de onfeilbaarheid van mijn oordeel te geloven, een oordeel waartegenover al die homo-oordelen in een oogwenk in het niets verdwenen.

Op weg naar Sophie zette ik me wat schrap. Ik was beducht voor een kille schoonheid. Ik doorliep in mijn hoofd weer de uitwisselingen die we hadden gehad en construeerde in mijn verbeelding een persoonlijkheid. Ze had me in berichtjes soms wat bot beantwoord en ik kon moeilijk haar schoonheid en een zekere warmte in één beeld samenvoegen, of toch niet vanuit wat ik kende.

Toen ik bij Sophie aankwam, werd mijn beeld evenwel aan een bevallige werkelijkheid getoetst. Ik werd vriendelijk onthaald. En ook haar verschijning beviel me. Ze was hartelijk. Het gesprek vlotte, ongehinderd door de ontgoochelingen waarvoor ik beducht was, en ze zette zich naast me in de zetel. Ze was wel direct. Ze verbeterde mijn fouten in het Frans heel direct. Ik zei dat ik correcties wel kon appreciëren, maar ik verzocht haar om me niet meer dan om de tien zinnen op een fout te wijzen, om de simpele reden dat het anders irritant wordt.

Ze liet haar wil zwaar doorwegen in het gesprek en ik trok hier en daar wat tegen om onze relatie wat evenwichtig te houden. Ze gaf die avond een soirée onder vriendinnen en we waren algauw met vijf. De tafel stond vol met flessen drank. Het avondmaal bestond uit drank en een baguette met tapenade en wat chips. We dronken en speelden spelletjes. We raadden namen die op onze voorhoofden kleefden met post-its. Ik was Winny de Pooh maar ik kon het maar niet raden. Erna speelden we een spel met kaartjes waarop een woord stond in het Frans en één in het Engels. We moesten liedjes zingen met die woorden in. Uiteindelijk bleken bijna alle woorden wel ergens in één van de tiental liedjes te staan die we kenden. Ik was nog zo slecht niet.

De vriendinnen gingen slapen en ik keek met Sophie een aflevering van Californication. We keken erna nog één en gingen dan slapen. Ik hoorde ’s nachts allerlei vreemde geluiden maar ik trok er me niks van aan. Ik sliep tot ‘s middags. Niet lang nadat ik opstond, stond Sophie ook op. Ze kwam als een zombie uit haar kamer. Ik nam een douche.

Het appartement van Sophie was groot en ze deelde het met Maud, net als Sophie een studente. Sophie had me al verteld dat haar vriend er meestal bij bleef slapen. Hij stelde zich voor met de boodschap dat zijn vriendin de avond voordien te veel gedronken heeft en een beetje raar doet. Ze volgde niet veel later en sprak als eerste zin: “putain, je suis encore complètement bourrée.” Ik zei hallo.

De vriend van Maud ging verse croissants halen en bracht genoeg mee voor een lang uitgesponnen brunch. We keken wat tv samen. Het regende buiten en het was er niet meer dan een graad of vijf. Binnen was het warm, en meer dan dat, het was entertainend. Sophie had les tot laat in de middag en later gingen Maud en haar vriend ook wat dingen gaan regelen. Ik bleef achter met wat plannen en ideeën die ik wou concreter wou maken en ik besteedde mijn tijd half nuttig, half verwaasd door de hash.

De volgende dag maakte ik gebruik van het zonlicht om een wandeling te maken in de stad. Bordeaux is een bourgeoisstad. De vrouwen in bondjassen, de mannen in lange cabans, allen trots wandelend met de kin omhoog en een rechte rug. En de vrouwen met een purper-rode lipstick, die in feite eerder burgelijk dan verleidelijk was, de mannen met hun mesh. Het grootste deel van de stad werd ongeveer tweehonderd jaar geleden gebouwd. Grote, statige herenhuizen, in een stijl die je ook wel veel in Gent en Antwerpen tegenkomt, en pronkerige kathedralen en overheidsgebouwen waarin veel van de grootsheidswaanzin van het imperialistische tijdperk in werd vertaald. Typisch (neo)classicisme, met zuilen en andere koninklijk uitvergrote details die in feite nergens voor dienen behalve status uit te stallen. Overal zijn sporen te zien van de stadsplanning van weleer, en het is duidelijk dat er genoeg middelen gebruikt werden om die orde aan de huidige smaak en technologie aan te passen.

Toen de avond was gevallen ging ik afscheid nemen van Sophie en nam ik mijn spullen naar de plaats waar ik had afgesproken met Gaël, mijn volgende gastheer. Ik vroeg me af wat hem zou drijven om couchsurfers te ontvangen. Bij Sophie kwam ik alleszins moeilijk aan antwoorden. Ze had zelf nooit met couchsurfing gereisd, ze had er geen plannen toe, en ze was niet geïnteresseerd in culturele of linguïstieke verschillen, tenzij dan in de trotse zin, om haar sterkte op bot te vieren. Zo kapte ze vaak in op mijn zinnen met pietepeuterige correcties; zo vertelde ze mijn fouten aan haar vriendinnen; en zo praatte ze alsof ik me even onder haar vleugels kwam warmen. Ze was een vreemde kip, die Sophie. Onder haar vleugels voelde ik me afkomstig uit een onbenullig stipje niks, ergens te midden van dat grote niks dat vanaf het Franse taalgebied tot ver in die uitgestrekte zwarte einder rondom reikt. Het was alsof er rond het Franse grondgebied een grote kloof bestaat, een grote leegte die uiteindelijk uitgeeft op een gedoubleerde Etats Unis. En hoewel sommigen er zo diep als Quebec of Brussel in afdalen, deed Sophie dat niet. Goed Bordelais hield ze de kin hoog en stelde ze zich op als de maat voor beschaving. Ik had nog een hele eind te gaan.

dinsdag 23 december 2008

Een Ier, enkele homo's, en vooral veel superhelden

Ik wou van Toulouse naar Bordeaux al liftend reizen. Pierre zette me af op een oprit langs de periferie. Van daar af aan was ik aan de goede wil van de voorbijgangers overgelaten. Ik trof evenwel weinig goede wil en raakte er moeilijk weg. De koude wind blies scherp in mijn gezicht en ik betrapte mezelf op een nogal beteuterde blik. Ik was me ervan bewust dat dit niet de meest verleidelijke manier was aan een lift te raken.

Ik stond aan een oprit van de periferie met een bordje ‘Bordeaux.’ De periferie ging in de richting, elke langsrijdende chauffeur kon me helpen. Maar ik werd aangekeken met een halfbakken medelijdend ‘je suis désolé mais…’-excuus (zo’n begin van excuus dat door de snelheid van de bewegende wagen nooit tot een betekenisvol argument komt). Ik moest mezelf overtuigen om mijn kin hoog te houden en hun blikken met in een zelfbewuste kracht tegemoet te gaan. Ik veranderde verschillende keren van strategie. Ik maakte een bordje: ‘Périphérie NORD ->Bordeaux.’ En ik wachtte. Wellicht teveel woorden. Ik besloot de kaart van de buitenlandse reiziger uit te spelen en me minder nederig op te stellen – meer bepaald, op zijn Amerikaans. Ik schreef in reusachtige letters ‘NORTH’ op een blad en trachtte met een dwaas maar enigszins zelfzeker-arrogante glimlach bestuurders te lokken. Ik dacht na over al de indrukken die deze pose bij de voorbijgangers zou kunnen opleveren. Ik paste mijn strategie wat verder aan door elke bestuurder het teken te doen met duim en wijsvinger: ‘Een beetje! Gewoon een beetje verder?!’

Een jonge Fransman pakte me mee. Hij moest er eigenlijk de volgende afrit af maar hij bracht me voorbij de eerste péage en zette me af aan het eerste tankstation. Ik stelde me op voor de ingang van de shop. Ongetwijfeld de beste plaats. Ik sprak iedere klant aan met een korte introductie en de vraag om me in de richting van Bordeaux mee te nemen. Niemand was vijandig of onwelwillend en uiteindelijk trof ik een Ier, een wat oudere man met een witte BMW 5 vol rommel. Hij reed terug van een rugbywedstrijd in Carcassonne, terug naar Oxford (de gek). Hij kon me wel even meenemen, zei hij. Het draaide erop uit dat hij me aan een tramhalte vlakbij de ring van Bordeaux afzette. Heel makkelijk. Ondertussen vertelde hij hoe heel zijn leven rond rugby draaide, en hoe hij twintig jaar de Britse luchtmacht had gediend, met name tegen het Iers terrorisme in Belfast. Hij had een mooi gevuld leven gehad, hij was praktisch overal ter wereld geweest, hetzij om gevechtscommando’s op te leiden in parachutesprong, hetzij om als spotter voor een rugbyteam buitenlandse spelers aan te trekken.

In Bordeaux nam ik de tram naar het centrum. Het regende. Het regende al de hele dag. Mijn zelfgemaakt plannetje op basis van iets wat ik op Google Earth had gevonden, bleek wat groter in schaal dan ik dacht, en het wandelingetje dat ik voor ogen had bleek heel wat langer. Ik belde Jérôme. Het bleek al snel dat ik een verkeerd plannetje had gemaakt (naar de staat ‘La Roche’ en niet ‘Laroche’) en ik wachtte hem op aan een tramhalte. Hij liet lang op zich wachten. Het was donker en het regende. Ik bedacht dat mensen hier wat minder snel wegkijken, misschien omdat ze de verleidelijke uitwisseling van blikken minder snel als bedreigend aanzien.

Uiteindelijk kwam hij aan: op rollerskates – in de gietende regen. Hij had een paraplu in zijn hand. Die zwierde heen en weer. Hij leek niet erg stabiel te staan. Ik groette hem. Al snel werd duidelijk dat hij een wat slap handje had, en ook andere eigenaardigheden wezen erop dat hij een wat andere seksuele geaardheid had.

Jérôme heeft Chinese roots, maar is opgegroeid op het Franse eiland Réunion (een piepklein eilandje naast Martinique dat nog altijd officieel een deel van de Franse republiek is). Hij groette me evenwel zachtaardig en ik had niet de indruk dat ik van hem iets moest vrezen.

Hij stelde mij voor aan zijn colocataire Fabrice. David was nog op het werk. Fabrice was klaarblijkelijk ook homo. Hij was iets ouder, ergens in het begin van de dertig schatte ik. – Jérôme was 27, had ik op zijn profiel gelezen.

Het was wat vreemd om tussen twee homo’s toe te komen en ik vroeg me af of ze samen met de andere colocatair, David, een driekoppig liefdeskoppel vormden. Ik kon het me niet voorstellen (zoals het een heteroseksueel betaamd) hoe dat in zijn werk zou gaan. In feite kan ik me niets homoseksueel voorstellen zonder een zekere walging te voelen.

’s Avonds gingen we naar een feestje. Het zou een verkleedfeestje zijn bij iemand thuis. Het thema was ‘superhero’ en iedereen zou verkleed komen zijn als superhelden. Ik ging er stiekem van uit dat ik iets zou terechtkomen met veel vrouwelijke mannen maar ook veel mooie vrouwen.

Het bleek een feestje van een 22 jarig meisje, verkleed als Storm (gespeeld door Hale Berry in de film X-Men). Het was net als Hale Berry een slank, zwart meisje (maar toch net iets minder mooi). We liepen een kamertje binnen op het gelijkvloers. De kamer was lang, wit en rechthoekig en gaf uit op een toog waarachter een keukentje zat.

Eenmaal voorbij de deur was het moeilijker. De gastvrouw groeten ging als vanzelf; die twintigtal genodigden waren een andere zaak. Ik volgde mijn gastheer Jérôme en schudde achter hem aan hier en daar een hand of deelde enkele kussen uit. “Louis” – “Enchanté: Johannes.” “Maria” – “Enchanté: Johannes.” “Julien” – “Enchanté: Johannes.” Zo ging het ongeveer. Ongeveer. Na elke groet kwam nog een wenkbrauwfronsende “Quoi?!” waarop ik dan zei “Je suis Belge. Dis ‘Joan’ ou ‘Jo’ ou quelque chose.” “D’accord.”

Ik liep Jérôme verder achterna en we lieten onze drank achter aan de toog. Het grootste deel van volk stond rond de toog verzameld. Jérôme stelde me voor aan een Italiaans meisje, Maria, verkleed als muis, met oortjes en een neusje. We praatten wat.

Een smurf viel op. Hij had een blauw hemd en een witte broek aan. Zijn armen en zijn gezicht waren helemaal blauw, dezelfde kleur als zijn hemd. Op zijn hoofd had hij een rode kerstmuts, wat hem nog altijd geen superheldenstatus gaf, maar toch al iets meer als een gewone smurf. Andere ‘superhelden’ waren P-diddy (twee), de paus (een student uit Kameroen), Zorro, Asterix, Lara Croft, en nog vele anderen. Ik was superbelg – of toch alleszinds de beste Belg aanwezig. Ze vielen ervoor. Min of meer toch.

Ik dronk een rum-cola en praatte wat met Zorro en later met de twee P-diddy’s. De P-diddy’s waren vooral geïnteresseerd in drugs. Ik rookte wat hash mee en nipte mijn rum-cola leeg. De combinatie met de hash gaf me wat een terugslag. Mijn beginnende kennismaking dreigde in het gevaar te komen, en ik schakelde over naar cola. Ik babbelde een beetje met iedereen. Ik ging ergens zitten en praatte met de mensen naast me, stelde me recht en praatte met de mensen recht tegenover mij, ik ging ergens anders zitten en praatte met iemand die naast me kwam zitten.

Een ‘ssshht’ werd doorgegeven door de zaal. “Als iedereen zwijgt is er muziek!” werd er luid gefluisterd. De speakers van de laptop waren net sterk genoeg om een metalig, sissend geluid door de zaal te voeren dat aan een liedje deed denken. Even werd er meegezongen, even werd er op een ritme bewogen, maar het enthousiasme wakkerde aan en algauw werd er weer boven de muziek uitgesproken. Stephanie, het meisje dat het organiseerde, zei dat ze geen luidere muziek opzette omdat mensen anders gewoon luider zouden spreken en er nog meer lawaai voor de buren zou zijn. Slim geredeneerd, dacht ik. Er was nu al veel op straat te horen.

Ik dronk één van de Leffe’s die ik had meegebracht en praatte wat verder met wat anderen. Meisjes hadden hoge achting voor mij. Enkele meisjes maakten het dubbelzinnige grapje dat erop neerkwam dat ik zowat alle mossels in het kamertje voor het grijpen had. Ze moesten het woord voor woord uitleggen waarna het groepje afdruipend uiteenviel. Mijn succes was misschien te wijten aan het feit dat ik er met een homo was, omdat mijn enige connectie met de ‘echte’ wereld, een homo was. Hij stelde voor mij geen enkele concurrentie voor ten aanzien van de meisjes. Ik had ze voor het grijpen, want hij werd als neuter beschouwd, zoals elke homo voor een meisje, en ik werd als een soort geseksualiseerd supplement beschouwd: een neuter met nog iets – een piet.

Een meisje was geïnteresseerd in wat ik deed. Ik had mijn verhaal die avond al een tiental keren gedaan, en ik vond weinig inspiratie om het wat te variëren. Ik zei dat ik werkloos was, en dat ik zowat overal in Europa ging werkloos wezen. Ze verstond niet dat ik werkloos was en bovendien nog fier op was. Ik vertelde dat ik moeilijk werk kon zoeken omdat ik constant op verplaatsing was en de taal niet goed sprak. Ze bleef aandringen. “Waarom leer je de taal niet gewoon?” Ze vormde geleidelijk aan een oordeel over mij dat aan haar blik te zien niet zo positief was. Ze geloofde haar eigen woorden nog nauwelijks en vertelde een vriendin wat ik er deed. Die zei dat het niet waar was. Ik zei van wel. Haar vriendin vertelde haar vervolgens wat ik haar had verteld, of toch bij benadering: hij reist door heel Europa voor een jaar en doet nu een tour de France en wilt daarna naar Oostenrijk, Duitsland, Italië en Spanje om al die talen te leren en op een persoonlijke wijze in contact te komen met bewoners van het hele continent. “Was dat dan wat ik deed?” vroeg ik me af. Het klonk heel leuk zoals het uit haar mond kwam. Misschien moet ik dat dan maar zeggen in het vervolg.

De smurf had door zijn blauwe verf op zijn armen en zijn gezicht een handicap. Iedereen en alles wat hij aanraakte werd blauw. Hij leek wel radioactief. Een soort van koning Midas (diegene die alles in goud veranderde door zijn aanraking) maar moderner. Iedereen zat al onder de plekken. Hij dronk minder om zich onder controle te houden. Hij dronk cola. En de superheldinnen rond hem wezen er hem steeds nauwlettend op wanneer hij iemand dreigde aan te raken. Hij mocht niet bewegen. Maar hij wou dansen. Hij mocht niet, dus hij zong, samen met enkele superheldinnen. En ze zongen Franse chansons, naar goeie Franse smurfengewoonte.

Storm vertelde me dat haar roots in Cuba lagen. Ze was zwart, Cubaans, en ze had zowat half de wereld afgereisd. Ze hield van reizen. Ze was om die redenen ook bij couchsurfing gekomen. (Die ‘ik hou van reizen’ leek achteraf bezien wel een retoriek om het gesprek in de positieve trant verder te laten gaan, en onze gelijkenissen te benadrukken. Want wat was dat reizen wel voor haar? Wellicht een constant ontwortelen, een constant verhuizen en opnieuw beginnen.)

Het werd later en grappiger, maar we werden ook moe. Jérôme zag er behoorlijk dronken uit. Hij wou nog een laatste pintje drinken voor we op weg gingen en dronk een Leffe. Ik dronk een Heineken en legde het woord ‘afwaswater’ uit in het Frans.

En zo gingen we op weg. Jérôme vertelde dat Fabrice de Italiaanse Maria en haar twee vriendinnen had mee naar huis genomen omdat ze geen slaapplek hadden. Ik hoorde allerlei hints tussen zijn woorden door. Fabrice ging ze in Jérômes kamer te slapen leggen. Ze waren met drie en hij had slechts een dubbel bed. Hij zou dus zelf ergens anders moeten slapen. Maar hij wist nog niet goed waar. Ik zei medevoelend dat dat wel vervelend was voor hem. Ik voelde een conclusie aankomen die ik niet kon dragen en ontwikkelde een twijfelende angst. Voorbarige conclusies of niet? Hij zei uiteindelijk dat hij wel in ‘dat kleine, onconfortabele bedje’ op de kamer van Fabrice zou slapen. Hij leek het echter niet geheel overtuigd te zeggen, en enkel omdat ik met het voorstel kwam aanzetten om bij mij te slapen. Ik wou er niet aan denken, en ik liet hem (met een dubbel gevoel) geruststellend weten dat het hem wel zou lukken om te slapen bij Fabrice.

Het was 4 uur 30 tegen ik sliep. Jérôme liep nog twee keer langs om naar de keuken te gaan. Tegen negen uur ’s morgens kwamen de meisjes naar beneden. Het duurde lang vooraleer ze naar beneden kwamen en ik kon moeilijk slapen met de gedachte dat ze straks naast me zouden staan. Ik verstopte mijn hoofd onder mijn deken, wachtend tot ze weg waren.

Ik sliep wat verder maar werd algauw opnieuw verstoord. Herhaaldelijk. Tegen 12 uur stond ik uiteindelijk op, met David en zijn vriendin aan de ontbijttafel net naast mijn bed. Ik wikkelde me in mijn kimono/peignoir en ging me douchen.

dinsdag 16 december 2008

La ville en orange: Toulouse

Ik beeldde me Toulouse in als een grote stad. Ik wist niet in te schatten hoe groot. Wel wist ik dat het een metro had. Daaruit leidde ik af ‘tamelijk groot.’

Van de trein volgde ik de bordjes naar de metro. Het treinstation was groot en modern. Ik had geen kaart en totaal geen idee van het openbaar vervoer, maar ik wist wel dat het zo’n 4 kilometer was naar het appartement van Pierre. Ik kocht een tienbeurtenkaartje voor het openbaar vervoer aan de ingang van de metrotunnel en zocht een plannetje van de stad op. Na een tiental minuten op zo’n een plannetje te staren besloot ik het te wagen. Ik vertrok met een reeks van mogelijkheden voor ogen en met mijn huis op wieltjes achter me aanrollend op weg naar een busstation wat verder.

Ik bereidde me voor op mijn kennismaking met Pierre. Zijn adres bleek naar een groot appartementsgebouw wat buiten het centrum te verwijzen. Hij groette me en droeg mijn tas naar zijn flat. Het was een studio: één grote kamer, met een klein keukentje en een klein badkamertje apart. Het moest volstaan, dacht ik, en ik plofte me in zijn zetel. Pierre bleef rechtstaan.

Ik had dorst, maar ik volgde zijn voorbeeld en stelde me terug recht. Hij woonde in Toulouse vanaf september, om er een master in commerces te doen. De introductie werd verder wat overgeslagen en hij stelde me allerlei vragen in de trant van ‘speel je gitaar?’ ‘welk liedje wil je dat ik speel?’ ‘ken je die artiest, en die?’ Ik wou een goede, ‘beleefde’ eerste indruk maken en antwoordde op zijn vragen. Hij bleek een elektrische gitaar te hebben en hij kende enkele liedjes. Hij wou ze voor mij spelen.

Pierre liet me een plan achter en stelde me voor om ‘s anderendaags ’s middags in het studentenrestaurant te komen eten. Ik bestudeerde het plan en stippelde een tochtje uit. Wat ik zag van Toulouse was weinig interessant. Staten, huizen, auto’s, nog meer straten, nog meer huizen, een autovrije winkelstraat, en dat was het zowat. Ik luisterde wat naar mijn iPod en observeerde wat mensen in hun allergewoonste gangetje. Ik had het gevoel in een sterielere stad te zijn terecht gekomen, vergeleken met meer agressieve en machistische steden als Montpellier en Marseille. Hier liep iedereen ergens naartoe. Iedereen. Zonder omkijken; zonder enkele blikken uit te wisselen om de natuurlijke sociale hiërarchie te bestendigen.

De volgende ochtend vertrok Pierre weer vroeg en ik bleef rustig alleen achter. Ik had hem gezegd dat ik niet weer zou mee-eten in het studentenrestaurant, omdat ik wou gaan joggen. Het weer was evenwel te slecht om effectief te joggen. Ik trok mijn wandelschoenen aan en ging wandelen met mijn hartslagmeter en mijn camera. Ik maakte veel foto’s en probeerde ondertussen mijn hart een gemiddelde van 140 te laten kloppen, wat met mijn conditie geen probleem was. Ik moest zelfs helemaal niet zo snel lopen.

Ik doorkruiste een zuidelijk gedeelte van de stad westwaarts, in de richting de rivier waarlangs deze stad gebouwd is, de Garonne. Hier waren veel oudere gebouwen te zien, gekenmerkt door de opvallende oranjerode baksteen. Ik liep door straten met diamantairs en klerenwinkels van dure merkkleding. Het miezerde, het was geen weer om mensen te observeren.

’s Avonds nam Pierre me mee naar een debat op zijn school, het prestigieuze L’Ecole de Commerces. De school had de politicus Nicolas Dupont-Aignan uitgenodigd, een europarlementslid met een voorgeschiedenis in Parijs. Maar wat een debat heette werd in realiteit eerder een toespraak. Hoewel er een moderator aan elke zijde zat, werd er weinig gemodereerd. Meneer het europarlementslid stootte op weinig weerstand.

Dupont-Aignan bepleitte iets wat niet zo voor de hand lag. Hij was tenslotte tegelijk europarlementslid en overtuigd gaullist. Een gaullist is iemand die – in tegenstelling tot de gemiddelde flamingant – politiek denkt, iemand die de status van de Franse Republiek wil aanzwengelen. Zijn retoriek leek me heen en weer van links- naar rechtsradicaal te slingeren. Hij was een chauvinist, een patriot, zoveel was zeker, maar hij liet zich niet in de typische nationalisten-vallen strikken (misschien wel vooral omdat die vallen door de moderatoren niet goed werden uitgezet). Het ging hem in hoofdzaak over de structuur van de Franse instituties, maar onderliggend kwam het wel (zoals altijd bij populistische sprekers) neer op een soort van superieure identiteit, een superieure Franse (Parijsse?) intellectuele en politieke traditie enzovoort. Het publiek zag niet in dat hun Franse identiteit geen vanzelfsprekend gegeven was – er waren dan ook nauwelijks of geen vreemdelingen in deze école de commerces te zien, laat staan kritische vreemdelingen.

De volgende dag regelde ik mijn afspraak met Romain, die zich het weekend over mij zou ontfermen. Tegen de avond ging ik er naartoe.

Romain wachtte me op aan het metrostation. Hij was vergezeld door Adrian, één van zijn colocatairs. Ze studeerden alle drie voor ingenieur, vertelden ze, en ze hadden alle drie ook couchsurfing.com gebruikt om te reizen. In de zomer hadden ze elk een drietal maanden in een ander continent gereisd: Romain in Rusland en Mongolië; Adrian in Peru; en Pierre in Canada. We aten samen en ik probeerde de gesprekken te volgen. Dat lukte evenwel moeilijk. Ze spraken onderling snel, en over dingen waar ik niet van op de hoogte was. Ze leken mijn aanwezigheid niet echt als een uitwissing te beschouwen, maar eerder een soort wederdienst aan het systeem. Ik was ‘iemand van couchsurfing.’

’s Avonds naar een bar gaan leek mij het leukst, en zij gingen akkoord. We gingen naar een Irish Pub, dronken elk één biertje en speelden wat Jengo (een spel waarin je een toren van balkjes stuk per stok demonteert en hoger opbouwt, waarbij het risico dat hij omvalt dus steeds groter wordt). Na het pintje gingen we slapen.

Toen ik opstond waren de jongens aan het LAN’en: counterstrike. Ik had een afspraak met Hélène (mijn gastvrouw in Perpignan) en we zouden ’s middags de stad wat bezoeken en ’s avonds eventueel uitgaan. Het was zaterdag, en met kerstmis over enkele weken was er veel volk in het centrum. We liepen alle kleine straatjes door en gingen een koffie drinken. Het was wat vreemd om met Hélène in een stad te lopen die ze niet kende. Het was alsof de rollen ineens anders lagen, en ik was beducht om geen romantische signalen uit te sturen, beducht omdat Hélène er in deze context weleens zwaarder aan zou kunnen gaan tillen. We wandelden nog wat en gingen een pint drinken.

’s Avonds gingen we naar een aperitief dat door enkele couchsurfers werd georganiseerd. We dronken er goed door. Hélène en ik hadden graag nog iets actiefs gedaan, iets met wat dansen, maar dat kwam er niet van. Jongeren gaan hier heel wat minder uit zoals bij ons – de prijzen verklaren dat voor een groot deel. ‘Hou je van uitgaan?’ kun je hier daardoor best vertalen door ‘hou je van soirées?’ En dat gaat dan eerder om georganiseerde avondjes bij vrienden met spelletjes, muziek en drank – vaak veel drank – waar dan ook wel al eens wat gedanst en gezongen wordt.

Het werd vlug laat en ik liep met Hélène en haar gastheer mee op weg naar onze slaapplaatsen. Ik sliep de andere kant van de stad. Er reed geen openbaar vervoer ’s nachts dus ik wandelde en wandelde. Ik zag dronken mensen, plaatsen waar feestjes aan de gang waren, en ik had een lange weg af te leggen. Ik kwam een auto tegen die in het midden van de staat stilstond met een draaiende motor, met een slapende vrouw achter het stuur en een slapende man met zijn hoofd op haar schoot. Ik tikte even op het raam. Ze keken wat verdwaast op en ik stak vragend mijn duim omhoog: “Ca va?” Er kwam geen antwoord, uiteraard. Ik haalde mijn schouders op en liep door. Enkele honderden meter verder keek ik nog eens om: de wagen stond er nog steeds, de motor draaiende, de lichten aan. Wellicht dronken.

’s Morgens was ik groggy. De uren slopen voorbij. Mijn volgende gastheer was Paulin. We spraken af ’s avonds om 18 uur. Ik nam de metro naar zijn adres en hij ontving me op meest zachtaardige manier. Poeslief, dat was net wat mijn kater nodig had. En ik had geluk. Ik ontspande me wat in zijn zetel en we praatten gezellig. Hij was om de best mogelijke reden met couchsurfing begonnen. Hij had couchsurfers ontmoet bij vrienden en was zo geïnteresseerd geraakt. Hij nodigde een vriendin uit en we aten samen een tartiflette (samen met de raclette en de kaasfondu een typische schotel op basis van kaas). En ondanks ik herhaaldelijk duidelijk maakte dat ik moe was en weinig zin had in een kroegentocht – gezien mijn kater en mijn wandeling van de vorige dag – liet ik me toch overtuigen om een stapje te zetten. Hij werkte immers steeds laats op weekdagen. Hij werkte in het theater als licht- en geluidstechnicus en werkte van 18 tot 23 uur. Met ons drieën wandelden we wat en we gingen uiteindelijk zitten in een aangename studentenbar om een Leffe te drinken.

Door zijn werk zag ik Paulin weinig 's avond. Een middag gingen we samen wandelen en nam hij me naar een galerijtje die hem erg beviel. Het was voornamelijk georiënteerd op striptekeningen. Er waren veel invloeden van pop-art in te herkennen, en de typische kritieken op onze postmoderne conditie, onze doordeweekse consumptie en oppervlakkige hang naar bevrediging enzovoort. Het smaakte me wel, nog eens wat cultuur tegenkomen die van zichzelf bewust is.

’s Avonds mocht ik een voorstelling bijwonen in het theater waar Paulin ’s avonds werkte. Het was geweldig. Het was bijzonder goed geacteerd, en het stuk zat goed doordacht, menselijk ineen. En na het stuk bleef ik nog wat achter met Paulin terwijl de bezoekers naar huis gingen. Ik hielp hem wat mee het podium opruimen en de afwas van de bar doen. En de acteurs kwamen me met een heel ander gezicht begroeten achter de bar, afwassend. Paulin had me de vorige dag wat ingeleid (hij had zelfs gevraagd iets trager te spreken voor mij) en ze kwamen mij allerlei vragen stellen. Het was vreemd om ze zo de ene moment met een zaal vol toeschouwers te bewonderen en het andere ermee te staan praten over mijn reis. Het leek maar iets kleins en onbelangrijks in vergelijking.

Paulin en ik gingen slapen. De volgende dag nam ik afscheid en ging ik naar Pierre en Céline, een koppel dat wat verder van het centrum woont, in een ruime flat met een tuintje, een hond, en beiden een auto voor de deur. Celine werkt, Pierre studeert nog. We dronken een biertje samen.

Er werd voorgesteld om een schoolvoorstelling in de faculteit wetenschappen bij te wonen. Zoals gewoonlijk zei ik ja. Het bleek echter een nogal bizarre voorstelling te zijn. Het bestond uit monologen van jonge acteur die vertelsels opvoeren over de kindermishandeling die ze zouden hebben doorgemaakt. Heel dramatisch. Maar bizar genoeg werd er tussen de diverse monologen gedanst, en werd het geheel ondersteund door een klein akoestisch live-orkestje. Het was een vreemde opzet. De monologen waren sterk geacteerd, de dans mooi en de muziek origineel en verzorgd, maar het geheel was ontzettend onesthetisch en, erger nog, moraliserend. Het wel leuk om deze jongeren te kunnen observeren maar ik schaamde me wat in hun plaats: wat een schools gedoe.

De volgende dag wou Pierre het wat rustig houden. Het was vrijdag, maar hij wou de dag erop wat doorwerken om wat werk in te halen. Céline was naar haar ouders. We gingen pokeren bij drie van zijn vrienden. We aten samen een geïmproviseerd pastagerecht met een grote toren pannenkoeken als dessert. Na het eten werd een verzameling flessen sterke drank op de tafel uitgespreid. We dronken. Er werd een waterpijp geprepareerd. We dronken en rookten. Jetons werden verdeeld en kaarten geschud. We dronken en rookten en speelden poker.

De volgende dag werkte Pierre van ’s morgens vroeg 7 uur in de woonkamer (terwijl ik sliep) tokkelend op zijn pc. Ik sliep tot ’s middags. Ik maakte me klaar om naar Bordeaux te vertrekken en Pierre voerde me naar een plek om te liften.

Ik liet deze stad achter met een opgelucht hart. Ik voelde me van bij mijn aankomst wat bekneld in het keurslijf dat al de middelmatigheid op me projecteerde. Het enige moment dat ik het gevoel had dat er buiten de grenzen van het massadenken gedacht werd, dat de doos geopend werd en mijn hersenen zuurstof kregen, was in die enkele dagen bij de technicus met de artistieke geest, Paulin. Van Pierre die maar niet kon stoppen over zijn favoriete gitaristen, Romain die me behandelde als een wederdienst aan het systeem, Hélène die misschien wel liefst onder een palmboom wou gaan liggen, het feestje onder couchsurfers waar niks Toulousiaans aan was buiten de wijn, en ook het gezelschap van Pierre en Céline: allen leken ze angstvallig vast te houden aan een zeker middelmatigheid dat ervoor zorgde dat onze gesprekken steeds weer vast dreigden te lopen.

Het effect van al dit vertaalt zich in een nogal neerslachtige vertelling. Maar ja, het maakt het moeilijk om je blik van de bodem af te wenden als je weet dat het schip dreigt vast te lopen. Misschien hou ik er wel een kromme rug van over. Ach ja. Ik heb nochtans geprobeerd om Pierre te stimuleren om zijn muzikale horizonten wat uit te breiden door over mijn passie voor muziek te spreken, ik heb geprobeerd om Romain te betrekken bij wat ik deed, ik heb geprobeerd om Hélène wat ‘zingevende’ boeken aan te raden, en ik heb geprobeerd om op Pierre en Céline interesses over te dragen aangaande de diversiteit aan culturen die ons continent bieden. Maar de gemiddelde Dr House- of Sex and the City-aflevering heeft simpelweg een grotere impact op de levens van deze mensen dan die enkele dagen dat ze met mij samenleven. Misschien kan ik beter op reis gaan tussen de sets in Los Angeles. Trouwens, 'La ville en rose' is eigenlijk oranje.