Tot en met toen ik Münster was, kon ik nog zeggen, ik spreek Duits sinds 3 weken. Nu was er nog een week voorbijgegaan, en was het al heel wat minder spectaculair te zeggen dat ik na één maand zo goed Duits sprak. Ik was dit excuus verloren, en ik kwam me algauw enigszins ontwapend te voelen.
Hamburg is met bijna twee miljoen inwoners de tweede grootste stad van Duitsland. Het is een Kreisfreie Stadt, wat zoveel betekent dat het een soort stadstaat, een ‘Bundesland’ van de Duitse Bondsrepubliek is, en derhalve een zekere exclusiviteit geniet. Hamburg ligt langs de Elbe, en is, na Rotterdam de tweede grootste haven van Europa. Het zal daarom niet verwonderlijk zijn dat er heel wat geld Duitsland binnenstroomt via Hamburg. – Maar tot zover de encyclopedische weetjes.
Ik kwam weer toe in een WG. Door de problemen die had met vervoer om uit Amsterdam weg te komen, had ik wat vertraging opgelopen. Ik had mijn afspraak met Katrin daardoor verschillende keren moeten aanpassen. Maar ze bleek willig en meegaand.
Katrin had een verschijning die me meteen beviel. Knap gezicht, groot en sportief, waardoor ze helemaal niet op de doorsnee couchsurf-nerd leek (want ja, we moeten nog altijd toegeven, mensen die vrienden maken van achter hun computerscherm, hebben over het algemeen toch iets ingetogen zo, iets dat niet samengaat met een goed postuur en een fiere uitstraling). Katrin was wel een beetje ziekjes. Ze leidde me rond in het huis en toonde me mijn kamertje, een minuscuul kamertje met een zetel en een bed, die samen zowat gans de breedte innamen. Ik zette mijn spullen op de zetel en volgde Katrin naar de keuken. Het was een grote keuken, met overal voedsel, klaar om klaargemaakt en opgegeten te worden. Klaarblijkelijk was dit een geordende WG – niet de meest typische. Ze woonden met 6 samen, en blijkbaar ging het er zo aan toe dat iedereen uit eigen beweging een eerlijke bijdrage deed aan de collectieve voorraad, zonder dat men naamkaartjes hoefde te maken.
Katrin maakte een eenvoudig pastagerechtje en we babbelden wat terwijl we aten. Enkele keren kwam één van de kotgenoten binnenwippen om iets te halen en ik stelde me voor. Contacten waren echter te kort om zelfs maar één van hen werkelijk te leren kennen. Waar ze zoal hun dagen mee vulden, waarvan ze precies kwamen, en hoelang ze elkaar kennen, bleef me onbekend. Maar ze waren vriendelijk, zoveel was zeker.
Op Katrin profiel stond iets wat me erg fascineerde. Ze studeerde ‘cultural studies’. Ik kon niet wachten enkele denkbeelden te toetsen en met de hare te vergelijken. Teleurstellend, bleken die verwachtingen echter. Het was ontgoochelend eigenlijk. Ze had totaal niet de kritische visie op reizen, op cultuur en diversiteit, op verschillen in economische en politieke oriëntaties, enzovoort, die ik verwacht had. Alles wat ik zei was nieuw voor haar. En wat zij dan van harentwege vertelde, kon me moeilijk boeien. Ze studeerde namelijk voor iets als museumuitbater, Kulturwissenschaft in het Duits. Ze leerde over hoe men subsidies kan krijgen en hoe men kunst beoordeelt vanuit een curatorperspectief. Een grootse esthetische visie bleek er niet in te zitten en dat bleek ze zelf ook niet te hebben. Het gesprek leek wel gedoemd om uit te doven, wegens een simpel gebrek aan stof, om elkaar wederzijds te ontvlammen. Zo ging het ook. Katrin was wat verkouden, en had nood aan slaap. Ik had de laatste nachten ook niet zoveel geslapen en stemde in om er een eind aan te maken voor vandaag.
Bij het tanden poetsen, kwam Elena thuis, de zesde kotgenote, en ook Katrins beste vriendin. Ze studeerden beiden hetzelfde en kenden elkaar al lang voor ze samenwoonden. Beiden deden ze ook couchsurfing tezamen. Ze hadden elk een profiel en ze bleken ook algauw samen de couchsurfers te selecteren die ze wilden uitnodigen. De blonde Elena leek goedgehumeurd en ze slaagde erin me wat op te beuren. Ze lachte veel en uitbundig. Het was echt een jolige meid. Volgende dag zouden we met ons drieën naar een tweedehandswinkel gaan. Ik had nog een jas nodig dus kwam dit voor mij goed uit.
Ze wekten me, later dan verwacht, maar ik haastte me en we vertrokken per fiets naar de winkel. Ik kreeg een fiets – welja, een kramakkelig, veel te klein, oud krot – toegestopt, en we gingen op weg.
De temperatuur was wat gezakt de laatste dagen. Het was begin mei, maar het voelde als herfst. De wind gierde door de stad, en de zon verschool zich het grootste deel van de tijd achter de wolken, die af en toe met een akelig verkoelende regenbui dreigden. Het werd hooguit 18 graden die dagen, en een regenbui leek nooit veraf.
We fietsten de grote brede lanen langs, nu eens op het fietspad op de weg, dan eens op de weg zelf – daar het fietspad ineens weg bleek te zijn - , en dan weer op het voetpad. Zo reden we weg. De brede lanen werden gesierd met bomen, ofwel op een middenberm, ofwel langs de voetpaden aan weerszijden. Maar de twee rijstroken in beide richtingen lieten minder aan de fantasie over. Heel idyllisch was het niet.
Ik zocht me een jas uit die paste. Keuze was er wel, welja, voor heel erg smal geschouderde mensen of heel erg rondbuikige. Maar na er een honderdtal gepast te hebben, vond ik er toch één die me beviel. En voor slechts 17 euro.
Katrin nam afscheid en ging naar de bibliotheek. Elena had vrij en nodigde me uit om mee boodschappen te doen en wat rond te fietsen. We overlegden wat en ze toonde me op de kaart waar we heen zouden kunnen gaan. In de jaszak van mijn nieuwe jas vond ik een bundeltje liedjesteksten voor een trouwfeest. “1986” was het gedateerd. Elena kende het lied. Ze zong er een strofe van en ik probeerde mee te zingen. Duitse teksten aflezen en ze onmiddellijk ook zingen, was wat lastig, maar het refrein lukt algauw. We zongen wat verder al fietsend. Ik zong uit volle borst totaal fout – Elena bloosde verlegen.
We reden naar het centrum van Altona, één van de vele centra waaruit de agglomeratie Hamburg bestaat. We parkerende onze fietsen en wandelden door enkele van de weinige verkeersvrije staten. Ik volgde Elena in een winkel vol met nutteloze hebbedingetjes, en ging mee een Bagel eten. Voor twee en een halve euro kreeg ik een geboterd klein rond broodje (met een gat in het midden: de gierigaards!) met omelet en spek tussen. – Tot zover mijn eerste Hamburgse snackfood-ervaring. Bijzonder verrassend was het toch niet.
We fietsten naar de haven, kochten een pint in een kiosk en liepen een stuk ponton af. Af en toe gluurde de zon van achter de wolken. Maar er was nog steeds veel wind. De golven waren hoog en sloegen op het dikke stalen ponton in. Door de deining van de golven schuurden de pontonstukken schrapend en knarsend tegen elkander. We zetten ons neer met onze pinten en hoorden het piep- en kras-orchest aan. Na enige tijd besloten we dat het onuitstaanbaar was. Het klonk als iemand die met zijn vingernagels over een bord ging, maar dan grote aantallen, honderden borden, honderden nagelkrassers, in totaal onharmonische, ritmeloze, dissonante symfonieën. Intens was het wel. En ik hou wel van intense klanken.
We liepen wat verder langs het havengebied (wat betrekkelijk groot is in Hamburg, gezien het feit dat het de tweede grootste havenstad van Europa is). Elena vertelde haar over haar ervaringen als au pair in Frankrijk. Daardoor had ze wat van het Zuiden leren kennen. Erg veel had ze daarbuiten niet gereisd. Ze studeerde ook, net als Katrin, cultuurwetenschappen, om later in ‘de culturele sector’ te werken. Veel ambitie leek er, evenmin als bij Katrin, niet achter te zitten. Ze lachte voortdurend om kleine mopjes, en mij leek het alsof ze alles zodanig licht nam dat er geen mogelijkheid was tot serieus gesprek. Ze bleek evenwel gauw begeesterd wanneer ik over mijn reis en mijn verdere plannen sprak. Het fascineerde haar kennelijk. Maar ik stootte op weinig kritisch gehoor, en ik begon al snel onzin uit te kramen. Ze knikte, lachte monter, en ik mediteerde over kolonialisme en hegemonie, en de taxonomische vooronderstellingen ingebed in onze westerse talen. Ze had alles begrepen, scheen het – maar volgens mij had ze geen idee van waarover ik sprak. ’s Avonds gingen we nog naar een concertje in een locale bar. De muziek was luid maar middelmatig. We braken de avond halverwege af en gingen uit gebrek aan beters slapen.
Volgende dag waren zowel Katrin als Elena weg. Ik had een sleutel, en een fiets stond voor de deur. Ik schreef wat en maakte een wandelingetje in de buurt. De buurt was behoorlijk aangenaam. Verschillende straten waren afgesloten of deels afgesloten voor het verkeer en er waren tal van kleine, gezellige boetiekjes met allerhande hippe nieuwe en tweedehandsprullen. En overal was er wel wat groen te zien. De met graffiti besmeurde huismuren werden ruimschoots gecompenseerd door de vele kleine en grotere parkjes, de grasveldjes en struikjes, of de alomtegenwoordige losstaande bomen.
Katrin en haar kotgenoten waren allen vegetariërs. In de keuken was zelfs geen vlees toegestaan. Er was geen eten voorzien en ik wist ook niet hoe ik in gods naam voor hen zou kunnen koken. Gewoonlijk probeer ik altijd wel iets te doen, ofwel te koken, ofwel regelmatig de afwas te doen, maar in dit gezelschap werd het moeilijk. Ik ging dan maar een snack halen. In een kebabzaak in de buurt kocht me de perfect bereide kebab, met de nodige portie sla en groenten, en voor slechts drie euro. Het was echt lekker.
’s Avonds nam Katrin me mee naar een filmavond, door de universiteit georganiseerd. Het was een Duitse film, en er werden verschillende dialecten door elkaar gesproken, waardoor het wat moeilijk te verstaan werd. Ook het gezelschap was moeilijk op dezelfde golflengte te brengen. Twee vrienden van Katrin waren erbij, twee jongens die beide veel te vertellen hadden en me nauwelijks aan hun vertelsels lieten deelnemen. Kk kon moeilijk volgen. Het waren grotendeels van die gesprekken waarvan ik het begin gemist had, die voortgingen op zaken uit een verleden waar ik geen deel van uitmaakte. Ik kon niet mee en voelde me wat buiten spel gezet.
Volgende dag bezochten Katrin, Elena en ik samen een markt – de grootste groentenmarkt van Hamburg, zeiden ze me. Ik had gehoopt dat dit een moment zou worden dat ik voor soort compensatie voor mijn gratis verblijf zou kunnen zorgen. Maar ze bleken algauw een zeer select boodschappenlijstje mee te hebben. Ze bleken kieskeurig, en ze leken niet in te zien dat ik een (zij het bescheiden) geste trachtte te maken. Uiteindelijk kocht ik niks, en volgde ik hen door de massa, hun eindeloze pietepeuterige discussies aanhorend over de 5 cent die ze daar meer betalen, dan daar – om dan 10 euro aan een origineel dessert te besteden.
Toen ze teruggingen, zei ik hen dat ik de stad nog wat wou verkennen. Ik had een fiets en tenslotte had ik nog maar weinig van de andere stadsdelen en de Hamburgse binnenstad (dat is, het centrum van de gelijknamige stadsdeel) gezien.
In het midden van Hamburg ligt een groot meer, de Alster. Ik besloot er rond te fietsen, en zo lukraak enkele wijken door te rijden om wat van een totaalbeeld van de stad te krijgen. Het was weer zo’n 18 graden en licht bewolkt. Ik vertrok aan de westelijke kant van het meer. De wind werkte af en toe heftig tegen, maar al bij al viel het nog mee. Ik fietste door groene lanen met weinig verkeer, met bloemrijke voortuinen volop in bloei, en nette, statige burgerwoningen met Beierse auto’s op de oprit. Aan een buskot zag ik een Turkse vrouw. Ze wendde haar blik af nog voordat ze de mijne kruiste. Ik fietste langs de Alster en keek uit over het fonkelende water met vele honderden zeilbootjes. Ik hield even halt, liet de gepensioneerden met hun elektrisch ondersteunde huurfietsen me voorbijsteken, en reed verder zuidelijk richting Hamburg, Hamburg. Ik week af van de weg langs het meer en reed weer tussen de huizen. Naargelang ik dichter kwam bij het centraal station, zag ik weer meer graffiti op de muren van de huizen en meer en meer Turkse opschriften die boven winkeltjes prijkten. Op de pleintjes zaten Turkse mannen te keuvelen. Groentewinkeltjes stelden fruit en groenten uit langs de straatkant. Deze straten leefden heel wat meer dan die in de burgerwijken.
Ik moest terugdenken aan de film die ik enkele weken voordien zag, Gegen die Wand, een film over enkele zoveelste generatie Turkse inwoners van Hamburg die in een kamp met zichzelf, hun identiteit en hun traditie, hun overlevingsdrang voor zichzelf uitdagen, zichzelf als het ware tot ter dood bestrijdend. Het is een harde film, en dat harde probeerde ik hier ook in Hamburg eruit te halen. Wat zou zo’n mooie mensen kunnen motiveren om zich zo tegen de wand kapot te beuken? Ik zou er later nog herhaaldelijk op terugkomen.
Ik reed door het toeristische deel van Hamburg, een stadsdeel met enkel lelijke kantoorgebouwen, hoofdzetels van grote concerns en bekende Duitse banken. Nergens Hamburgers te bespeuren in Hamburg. Ik ging verder richting haven. Daar kon ik dan tenminste nog wat mooie foto’s maken. Er was echter een soort straatfestival. Langs de waterkant stonden overal kraampjes met drankkraampjes, snacks en kleine kermisattracties (eerder gericht op dronken lui dan op kinderen). Ik reed er met mijn fiets door en at een pak ‘echte Hollandse frieten’.
Ik ging terug naar de WG en trof Elena. Ze had net vrij. Ik vertelde haar wat ik gezien had. Haven Geburtstag was het, zei ze. We dronken een koffie en gingen weer naar de haven. We wandelden er wat rond en zagen toe op de dikke Duitsers en hun commerciële, platvloerse manieren om zich uit te leven. Ik gruwelde vanbinnen van de volkse middelmatigheid. Een halve straat was overgenomen door hele meute Zwitsers van Basel, die er niks deden dan in grote tenten reclame maken voor hun streekproducten en het toerisme aan te prijzen. Ik vond dat totaal belachelijk.
’s Avonds (vrijdagavond) nam Elena me samen met een vriendin mee naar een drum ’n bass-party. De situatie was wat vreemd. Het feestje was wel leuk, maar ik was er duidelijk met de verkeerde mensen toegekomen. Ik kreeg geen contact met de mensen rond me, en Elena en haar vriendin bleven wat op de achtergrond. We gingen niet te laat terug terug.
In de terugkeer reden we even langs Hamburgs befaamde Reeperbahn. Ik zag er een kerel een andere kerel achterna lopen. Waarom wist ik niet. Wat ik wel wist, is dat de kerel die wegliep er niet goed aan gedaan had te vertragen, om achter zich te kijken, want zodra hij zijn hoofd draaide was die vuist er. Hij ging duikelend neer. Wij fietsten ondertussen door. De achtervolger had zijn prooi voor zich op de grond liggen en plantte zijn vuist nu herhaaldelijk in die kerel zijn aangezicht. De mensen rondom joelden en schreeuwden ontzet. Kleine discussies tussen leden van beide vriendengroepen leken op de rand van een nieuwe vechtpartij te staan. Er werd geduwd en getrokken. Een meisje huilde. Enkele voorbijgangers riepen van wat afstand beledigende woorden naar de agressor. Je reinste chaos. Maar wij fietsen rustig door. Elena reed voorop, ik volgde. Dit komt wel vaker voor op de Reeperbahn, vertelde ze. Gezellig, antwoordde ik.
Volgende dag was er een buurtfeest gepland door enkele leden van de WG. De straat waarlangs ze woonden was onlangs heraangelegd en tot een gezellig pleintje omgevormd. Ze hadden overal briefjes in de bus gestoken en iedereen uitgenodigd om samen op het pleintje te eten, te drinken, en kennis met elkaar te maken. De meeste buurtbewoners echter, hadden van de gelegenheid gebruik gemaakt om hun rommel als in een rommelmarktstandje op straat uit te spreiden. Ze namen dan plaats op een stoel naast hunne brol en bleven daar wat vereenzaamd zitten. Veel kennismaking en gekeuvel kwam er dus niet aan te pas.
Ik zou voor ’s avond het bed vrij moeten maken en had op de laatste moment nog een onderkomen gevonden via couchsurfing bij een Fransman die dicht in de buurt woonde. Ik deed nog een praatje hier en daar op het buurtfeest, belde Julien, de Franse couchsurfer op, nam afscheid, en ging op weg.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Mooi geschreven!
BeantwoordenVerwijderen