maandag 18 mei 2009

Een tweede hallo

Anna had mij uitgeput. Ja ik was nog niet goed van het feestje en mijn nacht bij Anna hersteld, en ik had mijn eerste les in de Deutsch Akademie. Maar moe of niet, de uitwerking van het plan ving aan. ’s Avonds om zes uur begon de eerste les. Ik hoopte maar dat mijn 250 euro goed besteed waren. Ik had geen idee met wat voor een mensen ik dadelijk zou gaan samenzitten, wat ik zou gaan leren, wat voor leerkracht mij zou onderrichten, enzovoort. De twijfel groeide. 250 euro was voor mij uiteindelijk nog veel geld. Maar ik wou kost wat kost dat vreemde taaltje leren begrijpen – en spreken evenzeer.

Voor de eerste keer in een hele tijd kreeg ik wat privacy. Benedikt en zijn flatgenoot werkten. Ik hou van gastheren (of –vrouwen) die werken. Ik werd alleen gelaten – aan mijn lot overgelaten. Eindelijk had ik eens tijd om mijn lot wat verder naar de toekomst uit te werken.

De eerste avond bij Benedikt was ik te moe om deftig conversatie te voeren. Ik vernam niettemin dat ik in een huis was terechtgekomen bij twee PUA’s (pick-up artists, versierkunstenaars – of amateurkunstenaars althans). Benedikt en zijn medehuurder Tobias hadden beiden net als ik The Game gelezen en waren bedreven in het overleggen over strategieën en scripts om vrouwen te benaderen. Ze waren er heel wat technischer in bedreven dan ook. Ook hadden ze kennelijk weinig van de kritieken gehoord. Dit zou desalniettemin een interessante week worden. Eindelijk weg van al die enige kinderen, en eindelijk eens bij mannen. Er was maar één regel in zijn flat, zei hij. Ik deinde heel even terug. Maar tegen verwachtingen in was dat niet dat ik geregeld de afwas zou moeten doen of dat ik moest bijleggen voor inkopen, maar wel dit eenvoudige, sloganeske gebod: “wat in de flat gezegd wordt, blijft in de flat.” Heel PUA-achtig dacht ik meteen – onorigineel en op de grens af immoreel. Hij vertelde verder niet zonder enige trots hoe hij uitging met verschillende meisjes, dat ze elkaar kenden, en hoe hij de zaken die ze over elkaar wisten enigszins onder controle poogde te houden. Ik kon er maar mee instemmen dat hij voor zichzelf een totaal onoverzichtelijk web aan het spinnen was, en vanzelfsprekend zou ik er alles voor doen om hem van benarde posities te vrijwaren – in zover hij daar al niet zat. Benedikt was ook in zijn hele uitleg over zijn achthoekige driehoeksverhoudingen een beetje stijf en zakelijk – een echte zakenman. Dat hij als informaticus in een bank werkte en ook alle traditionele Weense ballroomdansen (zoals de Wals) kende, waren daar niet meer dan nog een extra bewijs voor. Hij was in elk opzicht een voorbeeldige burger en meer dan dat ambieerde hij klaarblijkelijk niet – welja, op één opzicht na. Na de beëindiging van zijn relatie van 8 jaren lang, had hij zich op de methoden en technieken van het versieren toegelegd. Hij nam daarbij een voorbeeld aan personen die niet bepaald als brave burgers gelden, maar veel verder dan de voorspelbare openlijke voornemens van ‘zelfverbetering’ ging hij daarin niet. Het spel dat ik net met Anna achter de rug had, was daar onder geen beding toe te herleiden.

De eerste les was niet bepaald de beste start, ik kwam te laat. Ik kwam toe net na de introductieronde. Ik kwam bij zes vreemde mensen terecht met elk een heel aparte achtergrond (die ik nu helaas niet kon plaatsen). Het koste me zelfs enkele minuten om te begrijpen dat die jonge kerel aan de kop van de tafel de leerkracht was. Later zou alles nog opgeklaard raken. Het waren zes heel verschillende mensen, met heel verschillende motieven om een cursus Duits te nemen. Een Poolse informaticus kwam Duits leren uit eigen beweging opdat hij de sociale interacties op zijn werk wat zou kunnen volgen; een Servisch en een Turks meisje die met Erasmus in Wenen studeerden wouden eindelijk iets begrijpen van die vreemde Europeanen waar ze zich nu al enkele maanden tussen bewogen; een eerder zwijgzame Mongoolse kinderarts en een nerveus stotterende Roemeense kinderoppas wouden leren Duits babbelen voor hun job; en een jolige Afrikaanse asielzoeker, ten slotte, leerde Duits om een verblijfsvergunning te verkrijgen, zodat hij zich dan in Wenen met zijn vrouw en kind zou kunnen settelen. Het publiek was erg gevarieerd, evenals de linguïstieke achtergrond. De meesten konden wel wat Engels, maar de moedertalen waren zo verschillend als het kan, en eigenlijk was ik de enige die wat kon in de juiste richting wist te gokken, vanuit het Nederlands en Engels.

Mijn eerste persoonlijke kennismaking was met Norbert, de immer enthousiaste Afrikaan. Hij sprak Frans, en dat was ook aan zijn Duits te horen. We babbelden in het Frans wat over onze bezigheden in het leven en ik kwam zo te weten dat hij dagelijks tussen de 10 en 14 uren werkt (hij staat daarvoor op om 3 uur) om dan ’s avonds nog eens van 18 tot 21 uur in de Duitse les te zitten. Hij vertelde hoe hij, ondanks zijn Afrikaanse bachelor in farmacie, werkte in een schoonheidsbedrijf om aan de werkuren te komen die nodig zijn om het Oostenrijks burgerschap te verkrijgen. Hij predikte tegen mij over de zelfscheppende macht des mensens, waartegen ik, ofschoon al mijn filosofische kritiek, niks dan respect voor kon afleggen. Kijk maar naar Obama, zei hij. Ik lachte en betuigde mijn respect voor zijn moed en doorzettingskracht. Norbert stond niet (althans nog niet) op die sociale roltrap die ons Westerlingen zo quasi automatisch tot op een gelijkwaardig niveau voert. Als je in Afrika geboren wordt, raak je alleen binnen via de andere roltrap, die naar beneden, door heel hard te steken. Norbert verdiende alle respect.

Maar Norbert’s goedgehumeurde zelve had wel wat eigenaardige kantjes ook. Zo vroeg hij iedereens adres, voor als hij eens in hun (of in mijn) land kwam, en ook ons telefoonnummer en email, alsof we staan te popelen een quasi onbekende te ontvangen en zo ineens alles te delen. En zo vroeg hij ook eens of hij mijn jas niet mocht hebben wanneer ik over enkele weken terug naar België zou keren. Hij vond die wel mooi. Ik bedankte voor het compliment maar legde uit dat ik die jas nog geen twee maanden geleden had gekocht, en nog lang niet van plan was die weg te doen. Ik legde uit dat ik überhaupt ook niet over enkele weken al terug naar België keerde.

Met drie uur les per dag voor een klein groepje van zeven waren de anderen evenwel moeilijk te negeren. En ook al maakte het Duits het contact wat moeilijk, de onderwijzer bracht ons met veel geduld aan het praten en hij deed het fantastisch. Hij was een gemotiveerde 26er die zijn studie met een job combineerde, om daarnaast nog eens deeltijds deze cursus Duits voor anderstaligen te geven – louter omdat hij dat graag doet. Hij had een oeverloos geduld. Ook met de schuchtere Mongoolse bijvoorbeeld, die vaak eerder wat afwezig op haar papieren zat te staren dan probeerde te oefenen, en ook met de Roemeense die elke vraag beantwoorde als een onverwachte overhoring aan een onvoorbereide 14 jarige, hortend, stotterend, tot als de leerkracht haar verbeterde, om dan nerveus knikkend te zeggen: “Ja, ja, ich weiß ja. Jah, jaja! Ich weiß.” Ze had het overigens pas de laatste dag begrepen dat mijn moedertaal Nederlands en niet Frans was. “Ja,” zei ze als antwoord, “ja, ja,” zo tot 10 maal toe. Ze wist het al, of zo liet ze toch uitschijnen. Ik probeerde iedereen wat ter vriend te houden en de lessen niet te veel te domineren.

De twee Erasmusmeisjes Vildana (de Servische) en Simru (de Turkse) fleurden de lessen enigszins op. Vooral Vildana. Ze begon steeds weer vergelijkingen te verzinnen tussen de Serviërs en ‘de mensen van de Europese Unie’. Ze vond het heel vermakelijk hoe ik Sebastian, onze leerkracht, verdedigde tegen haar loze beschuldigingen in de trant van ‘dat denk jij, maar dat is jou wijsgemaakt door de Europese Unie!’ Telkens weer kwam ze met een nieuwe ‘bewijsvoering’ opzetten. Ze schreef zelf de gekke klank van sommige woorden toe aan ‘de grillen van de EU’. Het klasje keek geamuseerd op onze discussies toe.

Iets later in de week, op dinsdagavond, had ik na de les weer met Anna afgesproken. We zouden een bar opzoeken om wat over Nietzsche te discuteren. Beiden waren we immers bezig Aldus sprak Zarathoestra te lezen. Ik was nieuwsgierig naar hetgeen zij eruit wist te halen. Stiekem hoopte ik natuurlijk ook wel dat ik haar weer van iets naderbij zou mogen leren kennen – natuurlijk.

We spraken af rechtover het gebouw waar mijn lessen doorgingen, op de ring, op het pleintje aan het statige staatsoperagebouw. Toen ik ze daar trof aan de opera wandelde ik heel eenvoudig naar haar toe, en in plaats van haar plechtig te kussen ging ik voor haar staan en zwaaide ik kort. “Hallo!” Ze glimlachte. Van begin af aan werd er geen enkel moment geladen tot iets gewichtig. Zo ging het de hele avond voort.

We liepen naar een café. Ik liet haar kiezen en ze nam me mee naar Caffee Alt Wien, een authentieke bar in de Weense binnenstad die kennelijk niet in de Lonely Planet stond. Het had iets alternatief. De wanden waren bekleed met een mozaïek van blits gekleurde posters van culturele evenement in Wenen. Anna dronk sneller als ik. Ze zei van zichzelf dat ze rare dingen zei, ik zei dat ze humor had, dat ze mij deed lachen, en dat dat zeldzaam was. Ze zei dat haar Engels slechts was, ik merkte op dat mijn Duits geenszins beter was dan haar Engels, en dat die typische neiging om hun Engels neer te praten in Wenen maar iets belachelijk is in vergelijking met Fransen die zichzelf goed in Engels vinden. Haar bescheidenheid maakte haar lief. Ze toonde zich kwetsbaar voor me – ik beschermde ze tegen haar zelfkritiek. We vergeleken onze beide studies en wisselden wat gedachten over filosofen en schrijvers uit en het gesprek bereikte al vlug zeldzame schone hoogtes. We deelden daarbij in een allesdoordringende humor, een genadeloos cynisme zou je kunnen zeggen, maar tevens ook iets wat alles in perspectief zette. Ze was tegelijk ook vriendelijk en affectief, en ze uitte niet de kleinste verwachting voor één of andere formele ‘relatiestatus’. Kortom, ze was perfect. En op geen enkel moment had ik de indruk dat verleiding voltrokken was, dat ik ze bezat, dat ik ze als ‘de mijne’ verworven had. Het spel was het enige waar er waarlijk sprake van was. Verliefdheid, zou je erbij kunnen denken, maar daar waren we beide te cynisch voor.

Na een tweetal biertjes kwam de verleiding weer op gang. Ze zei dat ze mij wou kussen. Voor haarzelf onverklaarbaar, zo leek het. “I just want to kiss you,” zei ze. Haar gezicht trok samen in een begeerlijke blik. Die zachte, volle lippen van haar getuit, haar wenkbrauwen, de spiertjes rond haar ogen samengetrokken. Alles in een fractie van een seconde, om vervolgens weer in een open blik te ontspannen, en met flits van haar net rijtje witte tanden als afsluiter – om dan plotsklaps weer te hervallen: “but I just want to kiss you so much.” Ik vroeg haar de filosofische vraag – uiteraard eerder flirterig dan wat anders: “Waarom? Ja waarom in godsnaam zou je mij willen kussen?” De vraag deed haar ietwat terugdeinen, het creëerde een afstand, wat ademruimte in de aantrekking. Ze antwoordde. Ze wist niet waarom, “hmm, daarom,” ze kwam naderbij en ze likte mijn oor. Genoeg geademd. We gingen slapen. En weer besloten we dat er niks duurzaam inzat.

Volgende dag vond ik op internet een cursus die de Duitse grammatica vanuit het Nederlands uitlegt. Ik paste mijn planning er wat aan aan en bereidde me voor en ging naar de les. ’s Avonds ging ik met Benedikt mee naar een club. Er was een 70’s avond. Het was een buitenkansje om me eens met een mannelijke leeftijdsgenoot met één van mijn interesses bezig te houden, al dansend meisjes verleiden. Benedikt drinkt echter niet, en hij leek steeds heel serieus te blijven. En ondanks al zijn danslessen spiegelde zijn houterige stijl zich ook in zijn dansstijl af. Al zijn goeie wil buiten beschouwing gelaten bleef de motivatie wat zoek. Ik had enkele vruchtbare gespreken, maar echt vruchten wierp het niet af. Ook de drie halve liters vermochten niet te motiveren. Ik had het de dag nadien dan ook wat lastig en ik besloot uiteindelijk eens een avondje over te slaan.

Omdat Benedikt al eerder aan een ander couchsurfer had toegezegd (een knappe Russische), kon ik maar tot vrijdag blijven. Ik had daar geen probleem mee, want ik had ook de mogelijkheid om bij Evelyn te slapen. Die had ik ook op de Stammtisch gesproken. Het was een wat gezette maar sympathieke couchsurfster. Ik kwam met haar overeen dat ik haar tijdelijke flatgenoot zou zijn, en vermoedelijk het grootste deel studerend in haar flat zou doorbrengen. Ze was zeer actief in de ‘community’ en reisde veel en ver. Ze was ook Nomadic Ambassador op couchsurfing. Ze had een ruime flat, maar tijdelijk was haar kamergenoot er ook en dus zou ik met hem een kamer moeten delen. Matej was zijn naam, hij was een Slovaak die naar Wenen was gekomen om te studeren maar nooit echt ver was geraakt. Hij deed hier en daar wat kleine jobs en reisde zowat het ganse jaar rond. Hij zou maar enkele dagen blijven.

Nog voor de les verhuisde ik mijn spullen van Benedikt naar Evelyn.

maandag 4 mei 2009

Een eerste hallo aan Anna

Van bij de aanvang had ik niet veel meer om me aan op te trekken dan de feestjes. Ik dacht herhaaldelijk terug aan wat Sarah (mijn tweede gastvrouw in Wenen) eens met een lichtelijk teleurgestelde toon tegen me zei: “wat verwacht je hier eigenlijk van?” Dat was net na dat tweede Fasching-feestje. Ik had een reuzenkater. En voor een keer had ik geen pasklaar antwoord klaarzitten. Ik had me wat met de stroom laten meedrijven, zo moest ik uiteindelijk toegeven, met als belangrijkste motivatie de feestjes die door Zulema en haar vriendenkring georganiseerd werden. En na mijn verblijf bij Sarah was ik dan ook wat afgedreven, om het zo te zeggen. Geestelijk verlamd door Maria raakte ik wat verdwaald. Ik verloor mezelf. Mijn vlucht, met die lijnen die er reflectief achteraan bengelend coherentie aan gaven, was voor mezelf uit weggevlucht en ik was het spoor bijster. Niks dan perplexiteit hield ik nog over. Er waren louter nog een opeenvolging van vreugdevolle momenten waarin ik me dan de één na de ander in onderdompelde, telkens tot ver voorbij verzadiging, tot elke gewaarwording, elke sensatie verdronk.

Dwepers zeggen vaak dat de weg zelf het doel is, maar bij gebrek aan doel verdwijnt de weg, en bij afwezigheid van een weg kan er op zijn beurt ook geen doel in de weg ingelegd worden. Met andere woorden, ik had een doel nodig, een plan. Onder de hoedde van Maria was de kern van de structuur waarmee ik mijn dagen inrichtte verloren gegaan, ik had het dermate verwaarloosd dat ik van nul opnieuw moest beginnen. Ik moest me opnieuw uitvinden, me met een doelmatigheid verenigen waarmee ik opgewassen ben tegen de gevolgen van de roes, de verdrinkingsdood van mijn idealen als reiziger. Mijn gesprekken met Sophie waren daarvoor enigermate richtinggevend. Mijn verblijfsplannen na Michaela bij Benedikt en Evelyn boden verder ook een zekere houvast. Maar alles zou nog een nieuwe, onverwachtse wending krijgen. Geen plan vermocht me immers strakker aan iets binden dan de redenen die me in eerste instantie dat plan deden bedenken, wat ik er ook van aan anderen openbaarde. Na het weekend begon ik met mijn lessen. De volgende dag zou ik naar Benedikt verhuizen. Ik was met hem overeengekomen dat ik het grootste deel van mijn tijd studerend aan zijn eettafel zou doorbrengen. Hij had daar geen probleem mee. Ik zou er alleen zijn. Ik had voor mezelf een strakke planning gemaakt waarin studeren en blogs schrijven gans mijn dagen invulden. Drie weken lang zou ik vijf dagen per week les volgen. En die eerste week zou ik zo met mijn boeken en papieren aan Benedikts tafeltje doorbrengen. Maar nu was het zaterdag, en dat mocht natuurlijk ook wel gevierd worden.

Het feestje bij Scott werd te gek. Het was in principe niet meer dan een gewoon kotfeestje en aanvankelijk leek het maar iets rustigs te worden met de vier flatgenoten met elk in hun kamer hun groepje vrienden. Ik had enkele leuke contacten met Polyanna, een Brasiliaans meisje dat ik de dag voordien al had leren kennen (ze deed couchsurfing bij Scott) en ik leerde een ander leuk meisje kennen, één van de flatgenotes van Scott. En Sophie kwam algauw ook. Tal van mogelijkheden stonden voor me open. Sophie stond evenwel lang met Michaela te praten, en ik kon ons er moeilijk samen van losrukken. Ik huppelde daarom wat heen en weer van groepje naar groepje, enigszins hopend dat Sophie me zou volgen, maar anderzijds ook kennismakend met tal van toffe mensen die ik voordien nog niet kende.

De avond vorderde. Meer volk kwam binnen in troepjes. Tegen 3 uur in de morgen werd het maximum bereikt en in de inkomhal werd het licht gedoofd om er een dansvloer van te maken. Het werkte. Mijn benen waren echter al wat zwaar van al dat rechtstaan en drinken en ik liep verder mijn rondje. Ik ging eens naar één van de andere kamers om me even neer te zetten, en ik raakte al snel aan de praat met drie Oostenrijkse meisjes – in feite in afwachting van een jointje die ik enkele jongens naast me zag rollen: ik wachtte gewoonweg het gepaste ogenblik af hen om een trekje te schooien. Maar het gesprek werd al snel interessant. Eén van de meisjes trok de interesse van mijn ogen daarenboven ook enigszins lichamelijker op haar. Ze was één van de mooiere voorbeelden van het Oostenrijkse type. De meisjes waren wat tipsy en we hadden bizarre, nogal nonsensicale maar hoogst vermakelijke, conversaties. De redeneringen schoten in alle mogelijke richtingen uit in het belachelijke. Daar heb ik ze dan ook graag.

Sophie kwam er bijzitten en we praatten algauw weer over de VS en internationale politiek en betrokken er alle mogelijke onzin op die er ook maar in ons opkwam. De Oostenrijkse meisjes waren niet dom, maar dat maakte hun moppen niet minder venijnig, integendeel. Sophie was in de minderheid en dat was eraan te voelen. Het knappe blondje provoceerde ze met de meest ridicule argumenten – met een air alsof ze Sophies hele Amerikaanse identiteit ermee op de helling wist te zetten. Ik wist natuurlijk wel beter. Ik had aan dit soort discussies alles opgeteld ondertussen al vele uren besteed. Niettemin koos het grappige blondje haar kant, al was het alleen al louter omwille van de provocatie, en om ze wat tegen elkaar op te stoken, - ook omdat dit van langsom meer in het midden tussen twee mooie meisjes kwam te stellen.

Nu gaf me dit evenwel niet alleen positieve aandacht. Het gaf me veel aandacht, zoveel aandacht dat het me ook vatbaar maakte voor eisen tot verantwoordingen achteraf. Ik vluchtte vooraleer dit te persoonlijk werd. Pollyanna, en Scott’s knappe flatgenote liep daar ook nog ergens rond. Ik zette mijn toer verder en ging me na wat dansen in de hal weer bij Pollyanna in de kamer van Scott gaan zetten. Ik overtuigde ze om mee te gaan dansen en zo deden we ook.

De Oostenrijkse blondine die ik zonet had leren kennen kwam me wat afleiden. Ze ging ervoor. Ik had het al snel door – in een soort van door alcohol beïnvloede zelfmotivatie jawel. Ze was knap, echt iets voor mij. Groot, slank, humoristisch, en een tikketje cynisch: een mooie combinatie. Haar ogen gingen voor anker in de mijne en trokken me naar haar toe. Ze trokken betoverend hard. Ik ontsnapte keer op keer op een haar na de verdrinkingsdood. We flirtten. Maar er was geen ontsnappen aan. Ze had me in haar greep. Ondertussen raakten haar vriendinnen verveeld en namen afscheid. Anna zei hen tussen enkele kussen door dat ze wel zelf thuis zou raken.

Uiteindelijk lieten we er niet te veel gras over groeien. Ik vertelde Michaela dat tijdelijk van gastvrouw afwisselde. Ze had daar geen problemen mee. Sophie echter, stond erbij. Ze was er allemaal getuige van. Even aarzelde ik nog. Zo ongeveer de tijd dat mijn oogleden gebruiken om te knipperen. Flits. Dan besliste ik. We begonnen te wandelen in een willekeurige richting. Snel. Het was koud. Zij sprak van een taxi, maar ik zei dat niet te kunnen betalen, en zo wandelden we haastig door, de koude nacht in. Ik nam mijn kaart uit en begon in allerijl te zoeken waar we waren. Bleek dat we nog ongeveer een uur nodig zouden hebben om er te raken. We waren ondertussen al 15 minuten in de verkeerde richting onderweg. We namen dan maar een taxi – zij betaalde.

Wat er hier gaande was zou nog enige tijd nemen vooraleer het ten volle tot mijn besef zou komen. Anna had mij gekozen. Ze had voor enkele maanden nog een relatie die 5 jaar geduurd had. Ze was hier thuis in deze stad. Ik was haar in haar ‘normale’ ritme tegengekomen. Als er iemand de situatie meester was en tot profiteren in staat was, was zij het wel. In één van de vele kuspauzes onderweg, niet lang voor we bij haar binnengingen, vertelde ze me dat ze, in tegenstellingen tot wat mensen schijnen te geloven, ook seksuele verlangens heeft, dat zij het ook wilt, enkel voor haarzelf.

Haar appartement was ruim en net. Anna was haar naam: die was ik vergeten. De foto’s wezen erop dat ze een wijde vriendenkring had (waaronder veel knappe meisjes trouwens). Ik was in goed gezelschap terechtgekomen. De vele schappen nieuwe boeken in de boekenrekken herinnerden aan haar studie. Vergelijkende literatuurwetenschappen en filosofie. Dit was ondertussen haar zesde jaar aan de universiteit, en wellicht haar voorlaatste vooraleer ze ook die tweede master binnenhaalde. Ze bleef maar flirten. Ik liet me echter niet onderdompelen: ik had nu eindelijk een plan. Het werd een volmaakt spel van aantrekken en afstoten, van opgaan in het moment en relativeren. Alles stond in perspectief en we lieten hoegenaamd geen bedrieglijke romantische notie van eeuwigheid het spel bederven.

Volgende dag verhuisde ik nog naar Benedikt. Ik vertelde Michaela over mijn kennismaking met Anna en nam afscheid.

maandag 27 april 2009

Stammtisch

Maria en ik gingen samen naar de Stammtisch. Ik bereidde ze geleidelijk aan voor op de scheiding van onze wegen. Ik keek er stiekem naar uit. Stiekem weliswaar, en met de nodige dosis takt probeerde ik ze ook een beeld in te prenten van de situatie waarin ik weldra zou verkeren: ik zou rondhangen met al de mensen die al ontmoet heb, mijn banden aanhalen, en langs hen om zoeken naar nieuwe gastheren en -vrouwen. Eenmaal binnen ging ze zich algauw zetten. Ze babbelde met wat zeldzame figuren. Ik vatte ondertussen een wandelingetje aan en trof de bekende gezichten van tevoren. Ik maakte telkens niet meer dan een kort babbeltje, en zo liep ik van de één naar de ander. Ik trof zoals afgesproken Benedikt en Evelyn, en we overlegden ook zoals gepland over een slaapplek voor meerdere dagen (zo ongeveer een week, spraken we af). Ik was hoogst tevreden met het resultaat van de onderhandeling en ik liep nog wat rond.

Een vriend van Zulema beweerde me te kennen. Hij stond in een groepje bij tal van andere bekende gezichten. “Jij heet Johannes hé?” Wellicht had hij dat ergens opgevangen (ik had me nog maar net aan enkele knappe Amerikaans au-pairmeisjes naast hem voorgesteld). Pawel heette hij, hij was van Polen. Hij had me leren kennen op een vliegtuig naar Barcelona, vertelde hij (niet enkel aan mij, maar eerder aan de mensen uit zijn gezelschap). Ja hij was er heilig van overtuigd. Ik ontkende, maar ik loog, volgens hem – daar moesten de anderen van getuigen. Ofwel moest het mijn tweelingbroer geweest zijn, zei hij. We hadden samen nog een kop koffie in Barcelona gedronken. We hadden elkaar op het vliegtuig leren kennen en waren daarna nog op café geweest en hadden contactgegevens uitgewisseld voor later. We kenden elkaar. Ja dat kon niemand anders dan ik geweest zijn. De discussie was hoogst vermakelijk en hij vertelde het iedereen die nog maar in de buurt kwam. Pawel leek me nochtans niet bepaald dronken. Maar hij poogde niettemin iedereen aan zijn zijde te krijgen. Hij had gelijk, ik niet. Ja ik speelde maar met zijn voeten.

Hij werd uiteindelijk gedwongen een toontje lager te zingen, uiteraard. En het publiek dat hij verzameld had verloor de interesse even snel als hij die verworven had. We babbelden wat na. Hij was ondanks alles wel nog een coole kerel. Ik zou hem voortaan ‘mijn vriend van op het vliegtuig naar Barcelona’ noemen, kwamen we overeen, en dan mocht hij mij evenzo zijn vriend van Barcelona noemen. Geen gezichtsverlies geleden.

Ondertussen begon Zulema erg dronken te worden. Ze liep de hele tijd van hot naar her van de ene naar de ander. Ze kende dan ook bijna iedereen. Ze kwam steeds bij mij terug, luid iedereens aandacht opeisend, en meest van al, mij opeisend, als ‘my baby’: “Johannes is my baaaaabyy!”. Ik zei dat ze belachelijk dronken werd, dat iedereen haar zo zou herinneren. Maar zo had ze zichzelf klaarblijkelijk graag, zo werd ze misschien ook wel graag herinnerd.

Ik praatte wat met de Amerikaanse au-pairs aan de toog. Ze bleken couchsurfing vooral te gebruiken om vrienden te maken. Hun afkomst was op hun gezicht af te lezen: perfecte Colgate glimlach en een nagenoeg egaal vale huid. Geen haartje, geen vlekje, geen puntje was er teveel aan. Ze stelden duidelijk hoge eisen voor schoonheid. Ze waren ook mooi, moest ik bij mezelf toegeven – hoeveel ze ook aan die ‘ontpersoonlijkte oppervlakte’ uitgaven: ze konden mij wel krijgen. De discussies over ‘de Amerikaanse mentaliteit’ leken evenwel onvermijdelijk uit de hand te lopen. Ik sprak over de invloed van de media op de publieke opinie, zij over meneer Bush en zijn fouten, en het feit dat ‘Europa’ geen haar beter is wat immigratiebeleid aangaat. De discussie was hopeloos. Doch eindigde ik met het telefoonnummer van Sophie, de meest ingetogen van de twee au-pairs. We zouden later nog eens een koffie gaan drinken of zo. Een fel grietje, ik keek er wel naar vooruit.

Betrekkelijk laat op de avond trof ik Michaela. Haar had ik ook nog een ‘request’ gestuurd om zo meerdere dagen bij haar te verblijven. Ze was dolenthousiast. Ze kende me van op de Faschingfeestjes. Ik hoorde haar ook te herinneren, maar ondanks haar vlammend enthousiasme had ik echter geen beeld van haar overgehouden. Ik was dan ook een geisha, zij een Oostenrijkse, een niet bepaald knappe dan nog. Hoe dan ook maakten we kennis en spraken we iets af voor de volgende dag. Eindelijk zou ik bij Maria weg gaan, eindelijk weg van dat inspiratieloze, perspectiefloze, ja, haast beklemmende gezelschap. Al het andere voelde in vergelijking als de buitenkant van een kooi. Ik verheugde me op de volgende dag.

De Stammtisch kwam in dronkenschap tot haar einde en ik ging naar het appartement. Toen ik terugkwam was Maria nog wakker. Ze wachtte me op. Ik ging met oog op mijn verhuis naar Michaela evenwel direct slapen. Ik groette ze goedenacht.

De volgende dag verhuisde ik dan eindelijk. Het afscheid was abrupt maar het verliep grotendeels onberoerd. Voor mij althans. Op het laatste moment zei Maria nog dat ik altijd welkom was. Ik knikte en bedankte haar voor alles – ik probeerde zo weinig mogelijk verwachtingen naar de toekomst te scheppen. Uiteindelijk nam ik afscheid met een nogal definitieve ‘goodbye’. Voor een keer leek ze te begrijpen wat ik bedoelde – of toch dat wat ik wilde dat ze begreep. Een opluchting voor mij. Werkelijk, ik had zin om mijn opluchting in de gang van haar appartementsgebouw in een jolig gezang te luchten: zo licht voelde ik me. – Maar dat zou ze horen. Dus deed ik het toch maar niet.

Michaela was zonder twijfel heel wat actiever dan Maria. In tal van opzichten. Het was een onvergelijkbare ‘existentiële’ sensatie, als een onverwachtse terugkeer naar de realiteit. Michaela was iemand die plande en die planning gaf een dynamiek aan haar leven. Het bewoog. ’s Avonds aten we zo samen met een vriendin van haar die aan de Weense universiteit filosofie studeerde en we bleven wat hangen bij een discussie en vergelijking van de hedendaagse filosofen en de verschillen tussen universiteiten. Het werd interactief, opbouwend, spannend.

Michaela woonde in het centrum. Haar grootvader was eigenaar van het gebouw waarin haar flat was. In ruil voor een appartement deed ze de administratieve arbeid en speelde ze wat voor conciërge. Haar appartement was op het eerste verdiep. Door het raam was er voordurend beweging te zien. De straat was vlak onder haar. Het was een drukke straat. Er liep een tram en er waren verschillende kleine winkeltjes. Er was altijd wel iets gaande, al was het maar gewoon een man die zonder paraplu in de regen op de tram stond te wachten. Het was er levendig, en het leven kwam er zowaar binnen langs het venster. Het voelde wel als een ander leven. Ja op zo’n plek voel je je dan vreemd als je binnen blijft om tv te kijken, altijd zie je die beweging die je zowaar trekt naar buiten. De uitwerking daarvan is echt een fascinerend fenomeen. Ik voelde me goed in Michaela’s appartement. Ik stelde me voor hoe het zou zijn daar te leven, in de zomer, zonder regen, met de ramen open, de uitnodigende dynamiek van de stad nog meer naar binnen latend.

De volgende avond was er weer wat gepland. Michaela nam me naar de Donau. Ze had er afgesproken met enkele vriendinnen. Ik keek er ondertussen eigenlijk wel al naar uit om wat nieuwe mensen te leren kennen. Michaela was geneigd om zeer geëntertaind te spreken en op elke vraag als antwoord een ‘grappig’ verhaaltje te vertellen. Maar ik vond die hoegenaamd niet grappig. Alleen zij lachte. En aangezien ze niet veel les had, zaten we het grootste deel van de dag samen, en al dat ongebreideld enthousiasme begon me geleidelijk toch wat te vervelen, hoe goed gelegen en hoe ruim haar appartement ook was. Ik had nu wel geen kater meer, maar ik kreeg nu last van keelpijn: weer zo een bijkomende reden tot ergernis. En Michaela bleef maar met haar 110 procent enthousiasme haar verhaaltjes op me afsturen. Tevergeefs probeerde ik haar met mijn onverschilligheid wat af te botten en met veel verdoken tactieken probeerde ik haar nieuwe tonen in haar repertoire laten opnemen, maar steeds weer vergleed ze in diezelfde “and then he was like …, - hahaha -, and then she said … - haha…” waarop ik niet meer kon zeggen als ‘ha-ha’ – wat ik van langsom minder met een ‘beleefd’ enthousiasme trachtte aan te dikken, tot niks meer dan een woordelijke ‘ha-ha’ overbleef. Maar zelfs daar nam ze genoegen aan.

In de Donau was ik al eens geweest, met Sarah, mijn tweede gastvrouw in Wenen. De muurbekleding was echter weer anders: de projectoren projecteerden deze keer psychedelische figuren op de muren die wat aan Leonardo Da Vinci deden denken. We waren nog net op tijd voor de happy hour en dronken een cocktail. Ik nam wat coole foto’s en wist Michaela ermee te boeien. Er kwamen twee vriendinnen van Michaela, onder ons genoemd ‘de twee blondjes,’ en later kwam ook de Duitse Maria, waarmee ik enkele dagen voordien nog naar een improvisatietheater was geweest. We dronken en babbelden. De twee blondjes waren leuk. Ze praten zonder hand voor de mond over de bizarste ideeën en de meest onmogelijke fantasieën, en ze stonden ook open om mijn onzin aan te horen. Voor mijn creativiteit betekende het een verademing. We speelden met gedachten in dialoog. De alcohol hielp daar uiteraard ook bij. We flirtten met ideeën, we speelden met conventies, en we schreden de grenzen der taboes over met dergelijke reuzensprongen die ons terstond het domein der onzin inleidden. Daar was het dan ook leuk vertoeven. Fantastisch, en met veel ademruimte voor de geest.

Volgende dag voelde ik me wat ziekjes. Mijn keel deed echt pijn. Teveel gedronken. Ik had nog wat pillen en ik nam me voor weg te blijven uit rokerige plaatsen waar luid gesproken wordt. ’s Middags had ik een wandelingetje gepland met Sophie, het au-pairmeisje van op de Stammtisch. We spraken af en gingen wat wandelen en we dronken een koffie tezamen. Ze kwam uit California, een Universiteitsstadje op een uurtje van San-Francisco (Chico genaamd). We babbelde de hele tijd over de universiteiten in de VS en Europa, en over wat een opleiding zo kost. Zij had een bachelor in iets als kunstwetenschappen gedaan (in een eigenaardige combinatie met allerlei vakken in de trant van economie en management). Na wat aandringen biechtte ze op dat het inschrijvingsgeld jaarlijks welgeteld 33.000 Dollar bedroeg – wat na de beurs nog 16.000 bleef tellen. Een enorme lening hing daaraan vast. Ze zou daar nog haar hele leven aan afbetalen. Het was wel een behoorlijk exclusieve school, dat wel, maar wat een getallen! Ik zei dat men in België zonder enige beurs 550 Euro betalen voor één jaar – ongeveer 20.000 Euro verschil met haar school.

Het was ook interessant om te vergelijken tussen de attitudes van de doorsnee student in Europa en de VSA aangaande talen en vreemde culturen. Vele Amerikanen zijn er stellig van overtuigd op de top van de beschaving te zetelen. Zijzelf was weliswaar anders. Ze gaf toe tot veel nieuwe nuances gekomen te zijn, sinds ze in ‘Europa’ leefde. Maar voor de doorsnee Amerikaan lijkt het studeren van een taal als Duits (of Frans) totaal zinloos. Het was louter een vak. En ook historisch gezien volgenden de grootste beweegredenen uit de immigratie van Europeanen in de VS, en dus, aangezien er nog maar weinig Europeanen zijn die nog naar de VS migreren, is er nagenoeg geen reden meer voor te vinden. Ze was kritisch ten opzichte van haar afkomst, maar ze was natuurlijk ook fier op haar nationale identiteit – al zei ze zonder schaamte dat ze niet gehuild had om 9/11 en dat ze al de heisa wat overroepen vindt. Ze gaf niet makkelijk af en de wederzijdse interesse nam geleidelijk toe. We besloten het gesprek later voort te zetten.

Zo sprak ik enkele dagen later weer met haar af. We zouden een wandeling maken in een bos op een heuvel net buiten Wenen. Het weer was goed, en ook al twijfelde ik nog wat of ik nu al dan niet genezen was, werd het gezellig. Sophie was een heel evenwichtig meisje. Ze had duidelijk ook leren discussiëren op school – die elitaire klasjes loonden klaarblijkelijk. Ze was ook mooi. Een beetje mollig wel. Ja, was ze 10 kilogram lichter dan was ik wellicht in een vingerknip verliefd geworden op haar. Maar dat was ze niet. Helaas niet. We praatten en praatten weer over alles en nog wat, en ze vertelde me in detail haar levensloop. Over haar ouders, haar vrienden, en we vergeleken. We babbelden over decadentie, over de levensstandaard in West- en Oost-Europa, en ook over die eigenaardige tendens van Amerikanen om dat kleine lijstje van Europese steden als Parijs, Londen, Wenen, Praag, Boedapest en Amsterdam als representatief voor Europa te nemen.

Verder praatten we over de kennissen die we in Wenen via couchsurfing had opgedaan, zoals over Scott, de artistieke Nieuw-Zeelander en meisjeszot, en vele anderen. ’s Avonds had ik een feestje van hem op mijn planning staan. Het was tenslotte zaterdag. Ik probeerde er haar interesse voor te wekken. Ik had mij en mijn keel er wat voor gespaard en ik had er wel zin in. Ik insisteerde wat dat ze ook kwam – niet geheel onschuldig: in mijn achterhoofd wist ik wel dat een portie alcohol de laatste stroefheden in onze relatie wel zou kunnen glad maken. Ze beloofde me nog te bellen.

maandag 20 april 2009

De eerste hap lucht na 60 seconden onder water

Toen ik de resultaten van de bloedproef kwam halen werd het me duidelijk gemaakt dat er geen spoor van het virus te bekennen was. Het was allemaal voor niks geweest. Maar ik had geen klierkoorts! Het was wellicht een allergie, zei de dokter me, en dat was het einde ervan.

Teleurgesteld dat die 110 euro aan dokterskosten weg was, maar anderzijds terug weer hoopvol dat ik dat lang aanhoudende virus niet in mijn bloed zitten had, ging ik terug naar Maria en begon ik sms’jes uit te sturen om ’s avonds iets te doen. Een ander meisje die ik had ontmoet op het tweede Faschingfeestje – ook Maria genaamd – nodigde me uit op een improvisatietheater die avond, om daarna eventueel nog iets te gaan drinken met wat vrienden. Het klonk veelbelovend en ik ging zonder veel aarzelen akkoord.

Ik trof haar Maria (dus een andere Maria dan mijn bizarre gastvrouw Maria) in de Universiteit. Ze zag er knap uit, blond, groot, mooi gebouwd, zelfbewust, en ze stak ook algauw zelfverzekerd van wal. Haar Engels was niet perfect maar ze had kennelijk ideeën die het hakkelen waard zijn. We gingen samen iets eten in een vegetarisch restaurant en erna naar het WUK, waar het improvisatietheater doorging. Het bleek iets helemaal anders dan wat ik me eerst voorgesteld had, een soort workshop, maar het werd leuk. Er waren een twintigtal jongens en meisjes van mijn en Maria’s leeftijd en we deden allerhande plezante improvisatie- en associatiespelletjes.

In het begin deden we allemaal gezamenlijk opwarmingsoefeningen, later ging het om meer om afzonderlijke spelers die een showtje deden. En ook al verstond ik weinig van de dialogen en was het me te moeilijk mijn stem in de hele zaal te laten doorklinken, was het leuk. Het was creatief en origineel. Ik voelde me geprikkeld, ik voelde me opgewekt, klaarwakker, en weer uitgedaagd tot spel, als een deel van de interacties.

Na het spel gingen we naar een bar. Ik praatte wat met verschillende mensen over mijn reis en ik probeerde me in een basaal Duits uit te drukken (om te tonen dat ik wel iets kon zeggen). Later gingen we met een 5-tal naar Chelsea. Er werd weer overgeschakeld naar Engels. Er werden Balkanbeats gespeeld en er werd veel gedanst. Maria danste raar. Maar anderen ook. Ik danste dan ook, dronk wat en danste spastisch mee. Nadat de vrienden van Maria vertrokken ging ik dichter bij haar dansen. Ik maakte die toespeling op die vraag die ik op het Faschingfeestje ook al had gesteld en ik vroeg namelijk of ze me niet eens zou willen kussen. Het werkte, we kusten. Vreemd genoeg voelde ik echter geen tong, het was alsof ik met een vis aan het kussen was. Haar gespannen lippen wreven tegen mijn mond aan. Ze was Duits – hopelijk kust men in Duitsland niet overal zo.

Volgende dag was het één en het ander gepland. Er was een heel plan voorgesteld op het forum van couchsurfing dat een hele groep bekenden zou meedoen, waaronder Zulema. Eerst stond er een cocktailbar op het programma, met goedkope cocktails en hippe muziek, en daarna een feestje in het WUK (volgens gastvrouw Maria legendarisch). Ondertussen was er overigens een nieuwe couchsurfer bij gastvrouw Maria toegekomen, een Duitser die zijn practicum in Wenen doet. Maar ik moest weg. Maria had met andere vrienden afgesproken en zou misschien later achterkomen. Ik ging alleen op schok – zalig alleen.

Ik trof Zulema in het metrostation. Er was een hele hoop couchsurfers, waarvan ik velen al eerder gezien had. We gingen naar Loco. Iedereen wist het zijn. Niemand volgde, iedereen ging. De Loco bleek een hippe club met veel 18 jarigen gekleed naar de stijl van de hedendaagse MTV-iconen. Extreem sexy opgemaakte meisjes, maar nogal jong. We dronken in enkele uren tijd elk een cocktail of vier, en er werd meer en meer bewogen op de commerciële dance-beats.

Ik probeerde een jongere kerel van ons gezelschap een strategie aan te praten om een meisje te versieren. Maar met het opboosten van zijn zelfvertrouwen had ik uiteindelijk zo weinig succes dat ik uiteindelijk zelf in volle verleidersovertuiging naar het meisje toeging om ze wat onnozele maar spitsvondige vragen te stellen over de club en het publiek. Het was een volmaakt wezentje van 18 jaar, helemaal gekleed als een Madonna van deze tijd. Ze wou ook reizen. Naar Hollywood (waar de coole mensen (lees: Hollywoodpersonages) vandaan komen). Ik vroeg haar Facebook en ze tikte het gedwee op mijn gsm in.

Maar we gingen door. Zulema trok me weg van de meisjes en ik volgde naar buiten. Extatisch: ‘Het sneeuwt!’ riep één van ons bij het buitenkomen. Voor de ingang lagen witte kiezelsteentjes. Hij dook met zijn knieën in de vochtige kiezel en begon hij voorover met zijn handen in de steentjes graven alsof hij goud gevonden had – louter voor de act. Het was 7 graden en het regende. Achja, dronken. We gingen door.

Het was een studentenfuif. Aan de toog bleken we een borg te moeten betalen voor de bierbekers. Twee euro. Maar de cocktails hadden me dorst gegeven.

De muziek was wat zwak. Er werd nauwelijks gedanst in de zaal. Het was donker, rokerig, lasers kliefden hun fluorescente stralen flitsend door de zaal, zoals het hoort, maar de muziek stond wat stil en de muziekkeuze was allesbehalve. Maar eigenlijk was dat het laatste van onze zorgen. We babbelden en deden onnozel op alle mogelijke manieren.

Overigens bleek er later dat er enkele karaoke-optredens zouden komen met live band (‘me and my band’ heette het). Nog later bleek dat we ons vrij konden inschrijven. Zulema schreef zich in voor The White Stripes – Seven Nations Army. Ik zou mee het podium opgaan, en haar ‘backupzanger’ spelen. Giorgio, die er ook was, schreef zich in voor Nirvana – Smells Like Teen Spirit. Daarbij zouden Zulema en ik ook meegaan. En ikzelf schreef me ten slotte, na lang aandringen, ook in, voor AC/DC - Highway to Hell. Ik kende geen enkele van al die teksten. – Maar, geeft niks, zeiden ze me, wij ook niet. We kregen van de organisatie een blad met de teksten op en we ‘bereidden’ ons wat voor – dronken als we waren.

Ondertussen stonden we de hele tijd vooraan in de zaal, voor het podium, met een 200tal mensen achter ons. Het podium zag er fenomenaal uit en we konden niet wachten om aan onze carrière als rockster te beginnen. We waren ambitieus – zo ambitieus dat we onze teksten helemaal niet instudeerden. Ik nam me voor Michael Jackson dansjes te dansen en bijhorende kreetjes in de micro te schreeuwen. Eenvoudig.

Het moment brak aan en – toch wel met een beetje stress – we gingen naar de backstage. Maar we lieten ons er niet aan ondergaan, we waren klaarder dan ooit! We namen elk plaats achter een microfoon en tuurden het publiek in op zoek naar starende ogen. De gitarist stemde zijn laatste snaren, en ook de bassist en de drummer brachten zich in gereedheid. We stonden daar dan zo met z’n drieën vooraan op het podium, met een 400tal ogen op ons gericht. Ik riep in het Engels in het oor van Giorgio naast me: “wij gaan hier wat heersen over dit publiek! Hun nieuwe idolen, ja dát zijn we!”

De muziek begon en wij begonnen te zingen. Of ja, zingen. Het zingen zelf trok op niks, maar dat was niet belangrijk. We waren cool en stonden op het podium. Ik riep ‘come on everybody’ tussen de versen door en maakte allerlei Michael Jackson-achtige gebaren. Elk van ons geloofde zoveel in zichzelf en in ons als groepje, dat we er met glans vanaf kwamen. Eerlijk.

Na het liedje genoten we nog even van onze tijd backstage om het biervoorraad voor de muzikanten te plunderen. Zulema nam er drie, ik had maar plaats in mijn zakken voor twee (halve liters). We gingen terug langs de kant van het publiek staan en maakten ons klaar voor het volgende liedje. We hadden er nog twee te gaan. Eén iemand meer zou ons nu vergezellen, zodat we met vier op het podium zouden komen te staan. We hadden nu ons voorproefje al gehad, nu kon het echte werk beginnen.

De twee volgende liedjes werden achter elkaar gespeeld. En weer met een biertje in de hand en energiek dansend zoals het een rockster betaamt, heersten we over het publiek. Men wou later net zoals ons worden: ik zag het in hun blik. We waren idolen.

Na het optreden deelden we wat handtekeningen uit en dronken we de rest van de biertjes op. De zangers en zangeressen na ons konden echt zingen – niet eerlijk, dachten we.

Volgende dag was er ‘s avonds eens een echt feestje. Genoeg rockster gespeeld, genoeg mensen geïrriteerd. Het zou ook weer een legendarisch feestje zijn (nu volgens een andere bron: Zulema). Het werd georganiseerd door mensen van de kunstacademie, en die feestjes zijn ook altijd in de gebouwen van de academie zelf.

Een predrink werd georganiseerd bij John, een echte Engelsman (van het Noorden van Engeland). Er werd weer wat gedronken en algauw was ik van mijn kater genezen en kon ik er weer tegenaan. Er waren weer mensen van overal aanwezig, en een knappe Turkse, Australische en een Weense. Ik praatte wat met iedereen en er werd gedanst, ter voorbereiding van het echte feest.

Tegen middennacht vertrokken we dan. We waren met een recordaantal. In een lange colonne liepen naar de metro, waar we haast een ganse wagon innamen, om dan naar het feest te gaan. Er was sfeer, een geweldige sfeer, en iedereen had gemeenschappelijk dat ze openstaan voor verschil, verschillende achtergrond, verschillende ideologie, of kortweg, open voor verschil.

Er waren twee zalen. In de eerste speelde er een soort strakke techno. Er werd er weinig gedanst. Een tweede zaal zat dan wat verder in het complex, daar werden Balkanbeats gedraaid. Er werd meer gedanst. Het was een nogal moeilijk gezigzag om van de ene zaal in de andere te raken. Overal stonden mensen, te praten, te drinken, jointjes te roken, of gewoon wat rond te kijken. Aanvankelijk troepten de couchsurfers ook op die manier samen om wat te keuvelen. Maar de groep viel uiteen en sommigen gingen dansen. Ik ging iets halen om te drinken en ging daarna dansen. Ik was alleen maar niemand zag dat aan mij. Ik was overal met anderen, al kende ik die niet van tevoren. Ik ging naar huis met wel 4 nieuwe telefoonnummers van meisjes en een heel pak leuke herinneringen. Het was een geslaagde avond. Een unicum.

Volgende dag wou ik iemand overtuigen om mee te gaan schaatsen. Het was de laatste dag dat de enorme schaatsbaan voor de Rathaus open was. Maar niemand was gezond genoeg om het huis uit te komen. Uiteindelijk bleef ik zelf ook binnen.

Ik verstuurde ondertussen mails naar Benedikt, Michaela en Evelyn, drie mensen waarvan Zulema me gezegd had ze ruimte op overschot hadden en een couchsurfer die wat langer blijft makkelijk kunnen verdragen. We besloten telkens verder te praten op de Stammtisch, de maandelijkse couchsurfmeetingen waar zowat alle actieve leden van Wenen op afkomen, en waar ik beslist naartoe zou gaan, dan wel vanuit eerder strategische overwegingen, aangezien ik nog bijna maand bij Weense couchsurfers hoopte te blijven.

Het vooruitzicht om van Maria afscheid te nemen voelde als een opluchting, en ik voelde me niet meer verplicht om haar te behagen, in geen enkele zin. Ik leidde mijn leven, zij het hare, en ik liet ze minder en minder mijn concentratie domineren zoals ze altijd geneigd was te doen, met haar pointeloze verhalen en haar dwangmatige zorgzaamheid.

woensdag 15 april 2009

Smartelijk inspiratieloos

Na die eerste week in Wenen was ik om zo te zeggen gewend geraakt aan het nieuwe levensritme dat ik aangenomen had. Ik keek niet meer naar de stad, ik keek bij wijze van spreken louter nog naar mensen, in een routine van iemand die ‘blijft’, al was het maar voor 4 weken (of 6, zoals het uiteindelijk geworden is), maar ik keek niet meer naar de stad vanuit die beschouwelijke positie van tevoren. De vriendelijke contacten waren duurzaam geworden. Ja, boven alles waren die contacten belangrijk geworden, ook al werd die prioriteit al vlug opgevolgd door de nummers twee en drie: ik moest namelijk een achterstand inhalen om die stomme blog geupdated te krijgen (het werd tenslotte een hele onderneming om mijn indrukken over mijn verblijf in België, mijn vrienden, mijn familie op een kritische doch respectvolle wijze te herschrijven), en moest ik wat beter op mijn geld beginnen letten. – Een hele resem van prioriteiten, waarachter de beschouwelijke reizigerfiguur in mezelf wat op de achtergrond verdween.

Ik was in een nieuwe modus van vlucht terechtgekomen. Zoals in de maanden voordien keek ik niet meer dan enkele dagen vooruit als het op verblijf aankomt, maar nu lag mijn grootste focus op de komende maand. Ja, hoe zou ik die maand comfortabel doorbrengen, hoe zou ik dat combineren met Duits leren, en ook met enige participatie in al de schoonheid die Wenen te bieden heeft. Ik zou er tenslotte voor een maand deel van uitmaken.

Mijn verblijf bij Maria (een meisje dat ik op de tweede Faschingfuif leerde kennen) werd wat een tussenfase. Van aan het begin inspireerde ze me bitter weinig. Toen ik toekwam liet ze me binnen en bleef wat staan. Ik deed – zoals gewoonlijk in Oostenrijk – mijn schoenen uit. Nog bleef ze staan. Ze sprak wel verrassend goed Engels. Ze had een half jaar in New York gewoond, in Queens, zo vertelde ze zonder veel aandringen.

Ze woonde samen met een ander meisje, Isabel, een rosse met een rond gezicht en rood gekleurd haar waarvan de kleuring half uitgegroeid was. Het zag er lelijk uit. Het duurde verder nog even vooraleer ik erin slaagde uit te vissen hoe ze elkaar kenden. En ook dan, na lang uitvragen, begreep ik er nog weinig van. Ze waren kennelijk niet erg goed in dit soort introductiegesprekjes. En bij een gebrek aan instructies die zo gewoonlijk bij een verwelkoming en introductie horen, droeg ik het mezelf maar op mijn zak in Maria’s kamer in een hoekje te gaan zetten. Maria bleef steeds bij me staan en babbelde dan zachtjes voort totdat ik me er met een eerder gewelddadige ruk van onttrok.

Later ging ik, eveneens bij gebrek aan alternatief, zelf op verkenning, simpelweg om te weten waar de badkamer en keuken was. Alles was evenwel ruim en modern. De keuken was perfect. Een reusachtig aanrecht, een mooie tafel met typisch Oostenrijkse zitbank, een microgolf, afwasmachine en wasmachine… Wel nogal rommelig. Maar naast de keuken was een klein kamertje met wat matrassen en een salontafeltje. En dit zag ik nog wel mijn kamertje worden. Ook de badkamer was enorm. Het was een grote ruimte en alles was er aanwezig. Een mooi appartement, vertelde ik Maria, en we gingen zitten in de sofa in haar kamer en babbelden wat.

Dat babbelen verliep evenwel wat vreemd. Maria praatte immer monotoon en onenthousiast. Haar Engels was perfect, maar stil, en ik miste zo vaak belangrijke woorden. Ook na een ‘wablief?’ bleef ze steeds even stil babbelen.

Ze vertelde dat ze een roman schreef. Dat leek me heel ambitieus voor een meisje van 22 jaar die ook nog tegelijkertijd twee masters deed (Kunstwetenschappen en Sinologie), maar ik gunde het haar, ook al omdat ik de laatste jaren ook wel geïnteresseerd was geraakt in literatuur. En verder bleek ook dat haar hobby lezen was. Later zou blijken dat ze zowat al haar vrije tijd ermee opvulde. Maar het ging ver, te ver (naar mijn zin voor een gezond evenwicht). Maria bleek ‘zo iemand’ met een heimelijk fantasiewereldje, zo wat in zichzelf gekeerd, gedachten afkerend van wat voorhanden is, stiekem vluchtend naar universa van helden en geniën. Ze rekende haarzelf daar wellicht ook toe.

Eerst verheugde ik me dat ik eindelijk eens iemand ontmoet had met een gemeenschappelijk interesse voor literatuur, – maar bij nader inzien keek ik met afgrijzen toe op haar vluchtmentaliteit. Terwijl ze zo stil tegen me haar incoherente verhalen vertelde, kon ik niets anders dan – eerlijk gezegd – wild en eigenlijk genadeloos afbrekend denken: “Peeeuuuut, fout! Taal draait niet om gewoon vertellen! Interesse wekken is wat je moet doen! Iets interessants vertellen! Jezelf interessant maken! Ja, maak jezelf interessant of zwijg!!” Beleefdheidshalve (en ook om de simpele reden dat ik niet direct een alternatief onderkomen had) vroeg ik steeds naar verduidelijking en verheldering, en ik rok zo mijn inbeeldingsvermogen uit tot ver voorbij wat ik tot dan voor mogelijk hield, zo totdat ik op het punt kwam dat ik het gevoel had iets gecommuniceerd te hebben gekregen. Maar daar kwam ik echter niet vaak. Het leek wel alsof mijn uitgerekte inleving als een onafgevuurd elastiekje terugsprong in mijn gezicht. Slap hangend, uitgerekt tot ver voorbij punt van maximale elasticiteit. Er was totaal geen communicatie meer. Ook niet meer in mijn hoofd met mezelf.

‘s Avonds nodigde ze wat vriendinnen uit voor een etentje. Ze had een heerlijk grote keuken – die spijtig genoeg wel een onmogelijke puinhoop was. Na enige tijd kwamen vier meisjes ons vervoegen, vriendinnen van Maria. Maria kookte een gerechtje, Chinees. Ze at altijd Chinees, zo bleek. Ze studeerde ook Sinologie, maar eigenlijk kon ze niks anders koken. De vriendinnen stonden in de keuken te kletsen terwijl Maria kookte. Ze liepen haar in de weg, en niemand hielp haar. Maria liet ondertussen de olie uitkoken tot er zich een dikke krot onderaan de wok had gevormd. Het stonk. Ik ergerde me nog wat meer, maar ter wille van de beleefdheid probeerde ik me wat afzijdig te houden, of toch ten minste gematigd in mijn oordeel. Ik probeerde wat op te ruimen, maar de vriendinnen stonden in de weg en ik ergerde me nog meer. Ik zette de tafel dan maar en ging me zetten.

Zeggen dat ik bij vijf meisjes zat, zal misschien doen vermoeden dat er op z’n minst één naar mijn ‘smaak’ bij zat. Maar niks was minder waar. Elk van deze meisjes was onaantrekkelijk, ja stuk voor stuk, en erger nog, ze waren conformistisch, onzelfzeker, onzelfbewust, en ze praatten het soort roddelblaadjesonzin dat voor mij van niks dan een gebrek aan creativiteit getuigde. Hoe afwezig ik de hele avond ook al was geweest, ik was des te blijer als de avond om was en ik mijn ogen gewetensvrij kon sluiten. Ik sliep de eerste nacht in Maria’s kamer, op de sofa, ver van haar bed.

Het was pas de ochtend nadien dat het me daagde. Het was voor de spiegel dat ik stond wanneer ik me voor het eerst begon zorgen te maken over die uitslag die zich aan het uitspreiden was van mijn hals over mijn borst. Het zag rood en mijn huid was duidelijk geïrriteerd. Bovendien jeukte het onvoorstelbaar, en, zo moest ik bij mezelf toegeven, ik was al twee dagen kregelig van de jeuk. Dat was een te duchten oorzaak voor al dat zelfmedelijden waarvan hierboven getuigd werd. Met een dermate geïrriteerd lijf kon ik inderdaad maar moeilijk iets nieuws appreciëren. Maria en haar vriendinnen hadden dat bewezen. Ik nam een bad, dompelde mijn lichaam in het warme water en hoopte dat het zou overgaan.

’s Middags stond Maria ook op en gingen we naar een ‘running Sushi’. We waren met zestal en troffen elkaar voor het gebouw waarin het restaurant was. Het was een nieuw gebouw, het bleek een shoppingscentrum. Maar het was goedkoop: - ik begreep dat deze locatie een verschil uitmaakte als het op de prijzen aankwam. We betaalden er 10 euro voor een plaatsje en konden zoveel nemen als we wilden en ook zo lang blijven zitten als we wouden. Ik voelde me niet al te gezond, maar mijn eetlust leed er niet onder. Kleine plastik kommetjes gingen op een rolband langs ons tafeltje. We namen waar we zin in hadden, en probeerden allerlei vreemde dingen uit. Sommigen daarvan vlogen algauw weer aan de kant, maar anderen smaakten verrassend goed.

Ik at een 20tal van die kommetjes en we bleven een tweetal uur zitten. Die 10 euro had ik zo wel terugverdiend, dacht ik zo. We kraamden op, namen afscheid van een deel van de meute en Maria en een vriendin leidden me voor naar de Naschmarkt, een lange strook vlakbij het centrum waarop een soort permanente markt staat gevestigd. Het werd zo’n typische couchsurfingwandeling. Ik werd als een buitenaards wezentje rondgeleid langs allerlei zaken die mij op tal van verschillende vlakken boeiden, maar spijtig genoeg op geen enkel van deze waarop mijn gidsen me wezen. Na enige tijd ging ik voorop lopen – uit ergernis eenvoudigweg, omdat ze zodanig veel op me wachtten dat ze me in de weg liepen en ook achter ons een kettingbotsing veroorzaakten.

Ik had het moeilijk om alleen te zijn. Ik had het moeilijk om alleen te wandelen, het bleek onmogelijk om naast hen te wandelen – het leek wel of we altijd ofwel vóór ofwel achter elkaar liepen: we konden eenvoudigweg niet met hetzelfde doel in dezelfde richting gaan. Mijn beschouwelijke zelf werd zo langzaam de versmacht. Ik kreeg geen vrij lucht meer. Ofwel liep ik in de turbulenties van Maria, ofwel moest ik de verantwoordelijkheid nemen voor de turbulenties achter mij.

Deze metafoor bleek ook van canonieke waarde. Want zo was het ook in de meeste van onze gesprekken de volgende dagen. Ik ergerde me mateloos aan Maria’s levensstijl. Nochtans had ik ze eens gekust. En ik kon er ook altijd een tweede keer van maken. Ik herinnerde me haar vraag of ik in haar bed wou komen ‘surfen’ nog maar al te goed. Maar vanwege mijn uitslag had ik een goede reden om me wat terug te trekken – ook al sloeg ik daar nauwelijks in. Ik had een zalfje bij de apotheek gevonden en ik nam een pilletje tegen allergieën en ondertussen wachtte ik tot het over was. ’s Avonds wou ik vroeg gaan slapen, ook al was het zaterdag. Maar mijn uitslag ging niet van de ene op de andere dag weg. Ik hield me nog enkele dagen rustig, geïrriteerde huid, en geïrriteerd door al wat te dicht kwam. En ook al wist ik dat mijn oordeelsvermogen erdoor beïnvloed werd, en dat mijn oordeel over Maria wellicht te grof was, ik kon me niet houden, en ik vond nieuwe, positieve kijk op de situatie.

Na vele uren op zoek te zijn geweest naar de mogelijke oorzaken, hoorde ik van Anna, het meisje dat ik op het eerste Faschingfeestje in Fledermaus gekust had, dat ik misschien ‘kissing disease’ had – klierkoorts. Ze vertelde dat ze een vreselijke uitslag had over haar ganse lichaam die verschrikkelijk jeukte. Ze stelde me voor om me te vergezellen naar een dokter. Ze ging akkoord en maakte een afspraak bij haar huisarts.

Ik vertelde het verhaal aan Maria (vermits ik die gekust had), en vertelde erbij dat volgens Wikipedia de kans niet meer dan 5% bedraagt dat ik ze de ziekte nog niet gehad heeft en derhalve niet immuun is. Ze was makkelijk overtuigd en zag er geen gevaar in. De volgende dag zag ik Anna dan terug. Het was goed om eens met iemand buiten die beperkte kring rond Maria te spreken.

Ze wachtte me op aan de tramhalte en tezamen gingen we de praktijk van de huisdokter binnen. Het was vreemd iemand die ik maar zo kort gekend had aan mijn zijde te hebben – en dan nog als degene die mij vermoedelijk besmet heeft met ‘kissing disease’. Erg mooi bleek ze bovendien niet. Nu ik ze zo ongeschminkt in klare dag zag, kwam ik wat terug op mijn eerste oordeel. Ze was een erg gewoon meisje. Sympathiek en open, maar niet helemaal wat ik als aantrekkelijk beschouw.

Het bleek wel een goede zaak dat ze mee was. Ik kon langs geen kanten uitleggen wat er gaande was. De dokter sprak nauwelijks een woord Engels. En het was complex. De dokter twijfelde of ik de ziekte wel zou hebben. Niettemin liet ze me volgende dag terugkomen voor een bloedproef. Ik ging nog even mee met Anna en we aten iets samen en babbelden wat. Ze wou ook wel nog een tweede kus. Ik niet. De volgende dag zou ze me weer vergezellen bij de bloedproef.

Dat deed ze ook. En ze vergezelde me ook naar de Deutsch Akademie, waar ik het bedrag moest gaan betalen om mijn lespakket Duits vast te leggen. Bezorgd dat ik klierkoorts had ging ik die dag weer vroeg slapen. De uitslag was aan het wegtrekken maar ik voelde me zwak en lusteloos, net zoals de lijsten met symptomen het voorschrijven, en ik wachtte bijgevolg de resultaten af om verder mijn vooruitzichten te ontwikkelen. Met klierkoorts zou ik misschien gedwongen worden mijn reisplannen voorlopig af te breken. En niemand hier kon me daarin helpen.

vrijdag 10 april 2009

Carneval heet hier Fasching (II)

De avond was al gevallen, maar de stad was levendig als altijd. Ik nam een metro, stapte over op een andere metro en volgde mijn plannetje tot bij Sarah. Ze woonde langs de Gürtel, de tweede, grotere ring van Wenen. Hier waren de meeste clubs gelegen, maar ook de meeste bordelen en seksshops enzovoort. Prostitutie wordt hier net als in België gedoogd in Oostenrijk. (Hoe dat gaat wordt trouwens krachtig in beeld gezet in de recente Weense film Revanche.)

Sarah woont in een oud gebouw, zichtbaar slecht onderhouden, met in de gang dezelfde temperatuur als buiten. De flat bleek echter te bestaan uit verschillende grote ruimtes, mooi ingericht, met alle comfort van dien. Dit was heel wat anders dan Zulema’s miniflat, met douche in de keuken en toilet op de gang. Zo ontving me gastvrij en gebood me van al wat ze had vrijelijk gebruik te maken. Ze was ook wat groggy van de dag voordien. Ik ook. Ze nodigde een vriendin uit, Kathy en kookten en aten op een zondagstempo samen met z’n drieën een schnitzel van knolselder en we gingen vroeg slapen.

Sarah was een onderwijzeres in de lagere school. Ze werkte dagelijks van 8 tot 2u30 – lagere scholen stoppen hier al vroeg in de namiddag. Ze deed tegelijkertijd een bijscholing voor Duits voor anderstaligen. Ze wou les geven aan mensen die zoals mij Duits wouden leren. Dat kwam goed uit. ‘s Namiddags gaf ze me les en in ruil kookte ik ’s avonds een spaghetti alla Bolognaise met verse ingrediënten. De perfecte deal, want ik had ook honger. Erna gingen we naar een club, de Donau genaamd, waar er tussen 8 en 9 uur ’s avonds cocktails aan halve prijs te verkrijgen zijn. Ik betaalde 3 euro 50 voor een Long Island Ice Tea van wel 33cl. Ik schatte het percentage op alcohol 30%. Het was dan ook een cocktail uit de ‘high alcohol’ categorie. De anderen waren maar 2,50 euro op dit uur.

De club was geweldig. Het was donker en de verlichting was tegelijk het behang: overal stonden projectors die elke avond een ander profiel op de muren projecteerden. Vanavond bewoog het. Het was als een gordijn dat door de wind een golfbeweging maakte, en dat helemaal rond. Aan het plafond hingen blokjes piepschuim, die door een ventilator heen en weer wiegden. Er was een dj die een mengeling speelde tussen dub en trage minimal. Ik herkende veel platen. We namen plaats aan de toog. Hij stond centraal en was rond. Er stonden overal lage tafeltjes met kleine zeteltjes. Dit was eerder een loungebar dan de club, maar dan zonder die banale stijl en karakterloze loungemuziek die nagenoeg elke loungebar identiek qua sfeer maakt.

Tijdens de terugweg liepen we langs de vele bordelen en porno-videotheken enzovoort. We gingen een videotheek binnen waar je ook naar live shows kunt kijken. We bekeken de prijslijsten en lachten met de poses op de affiches die overal hingen.

De dag nadien was een mooie dag. Sarah gaf een bijles aan de dochter van de buren en ik besloot de hele dag aan sightseeing te besteden. ’s Avonds was het de grote Faschingparty. Ik kocht een pruik en liet me door Zulema schminken. Ik had al een kimono en besloot me enerzijds voor het gemak in een Geisha te laten omtoveren. Anderzijds zou ik een Japanse ‘pimp’ worden, en daar kon ik wel mee leven. Zulema was ‘slutty Pocahontas’, een beetje als Pocahontas maar dan met een diepere decolleté, een korter rokje en netkousen met gaten in. Eigenlijk waren de vlechtjes en de pluim in haar haar het enige wat aan Pocahontas deed denken.

Samen gingen we naar Giorgio’s flat, waar de preparty plaatsvond. Giorgio is een Italiaan die in Wenen werkt, en de meeste anderen waren ook tijdelijk geïmmigreerd. Er waren een 15tal anderen aanwezig, op één na allemaal verkleed. Zo was er een Amerikaan uit Texas die er in een reis door Europa was blijven hangen. Hij was de enige die niet verkleed was. Hij had ‘fashion’ in plaats van ‘fasching’ verstaan en had zijn Armani-hemd en kostuumbroek bovengehaald. Er was verder ook een landschapsarchitect uit Nieuw-Zeeland die gewoon op zoek was naar werk en dat (naar zijn mening) toevallig in Wenen vond. En er waren mensen uit Chili, Argentinië, Mexico, Taiwan, Engeland, Duitsland, de VSA,… en er was ook, geloof ik, één iemand uit Oostenrijk afkomstig. Het feestje was spetterend. De drank stroomde. Giorgio, weer verkleed als ‘lesbian gynaecologist specialised in free exams’, liep rond met schnaps en goot het bij iedereen naar binnen die er even het hoofd voor achterover hield en de mond opensperde. Het werd een festijn. Elk van ons speelde zijn of haar personage en we maakten idiote foto’s en filmpjes.

De politie kwam verrassend laat. Het was 12 uur vooraleer we het gebouw moesten verlaten en de fuifzaal opzoeken. Dit kwam niet geheel ongelegen. Het feest was er immers al goed bezig. We gingen binnen en ik bestelde me een pint. Er waren nog enkele couchsurfers. Een niet onknappe Oostenrijkse had twee Amerikaanse jongens bij zich. We dansten. Ik herinner me niet meer hoe ik danste, wellicht was het niet erg goed, maar ik herinner wel dat het op een tafeltje was, en dat we er met zoveel als mogelijk op gingen staan. En dat het leuk was. Ik kuste de Oostenrijkse en vroeg haar vervolgens of ik bij haar mocht couchsurfer – ik had immers nog geen gastheer of -vrouw na Sarah. Ze vroeg me speels of ik wou couchsurfen of bedsurfen. Ze gaf haar nummer. Ik vroeg haar naam een tweede keer. Maria was het. Ik typte het in bij haar nummer.

Het feestje kwam uiteindelijk tot een eind. Ik liep nog even met Giorgio en Zulema en ging dan verder naar het appartement van Sarah. Het was ongeveer half zeven vooraleer ik sliep en ik sliep de hele dag. Ik was murw, geradbraakt, dood. Ik dacht aan Zulema, die die ochtend om 9 uur op haar werk moest zijn. Ik keek een film en ging ’s avonds vroeg slapen.

Volgende dag had ik met Maria rond de middag afgesproken.

dinsdag 7 april 2009

Carneval heet hier Fasching (I)

Uiteindelijk werd het ook plan B. Josip was er ook. Stephy nam ons naar een karaokebar waar we shisha’s/waterpijpen konden roken en cocktails drinken. Het bleek in een stoppingcentrum. Het was een cocktail-, karaoke-, en scheichabar in een shoppingscentrum. Heel stijlvol. (Dit is ironisch, voor alle duidelijkheid.) Ja, ik ergerde me mateloos. Gelukkig was er Josip nog. We gingen samen aan de bar zitten en praatten wat over reizen en ik liet hem wat vertellen over zijn reizen. Hij vertelde zo hoe hij enkele weken voordien nog in Tailand was en aldaar met een knappe ladyboy had gekust, en hoe hij er vervolgens mee op weg ging naar zijn hotel, totdat hij dan opeens die adamsappel zag en plots herinnerd werd aan al die waarschuwingen die hij op voorhand nochtans te horen gekregen had. Totaal vertwijfeld, huiverend van de gedachte, voelde hij uiteindelijk eens met zijn hand tussen ‘haar’ benen. “En ja: ze had een penis!” zei hij geëxalteerd. Hij vertelde me zowat heel zijn levensverhaal met anekdotes van de laatste maanden op het niveau van een echte wereldreiziger en ik luisterde geamuseerd.

We namen uiteindelijk de laatste metro terug, we namen afscheid en gingen slapen. Zulema hoorde ik later terugkomen. Ze had me ervoor gewaarschuwd haar ’s morgens niet wakker te maken. Ik at wat en hield me bezig achter mijn computerscherm tot er beweging in kwam. Ze kwam uiteindelijk uit haar kamer gestrompeld met de boodschap dat ze dood was. Ze zag er niet dood uit. Wel wat dooreengeschud misschien, maar niet dood. Met een grauwe stem stelde ze voor een wandeling te maken. Zo zou ze me eens langs de mooiste plaatsjes van haar stad leiden.

We liepen langs de langste winkelstraat van de stad (op zoek naar iets van verkleedkledij voor een carnavalfuif die avond) en we liepen verder ook langs de centrale gebouwen van het centrum dat het centrum niet was, die ik ondertussen al allemaal twee keer gezien had. Zulema gaf wat uitleg bij wat ik zag: links zag ik naar verluid sneeuw, en rechts, nog meer sneeuw. Het was erg leerrijk.

Enkele couchsurfers hadden een ‘mobile disco’ georganiseerd. Zulema en ik vulden een zak met bier en we trokken erop uit, naar het museumskwartier. Een eerste pintje werd al snel geopend. In Wenen drinkt iedereen op straat, zei ze. Niemand maakt daar een probleem van. Een groot verschil met Frankrijk: aldaar lijkt daar wel een stigma op te hangen van ‘clochard’.

Het was een fasching-editie (carnavalseditie) van mobile disco. Zulema had een goedkoop soort van aureooltje aan als verkleedkledij. In het museumskwartier troffen we Pipi Langkous en Giorgio de blonde Gynaecologe. Mobile disco hield in dat iedereen de ipod op de oren zet en danst. Heel eenvoudig. Er werd een tweede biertje geopend en iedereen begon wat in het wilde weg te dansen. Hilarisch. Voorbijgangers bleven staan om te kijken wat er gaande was. Ze leken te zoeken naar een hoed om een muntstuk in te werpen, maar zelfs dat hadden we niet. We deden het gewoon voor de geneugten van het onnozel doen zelf. Zeldzaam.

Later gingen we naar een ‘foodparty’. In het forum van de groep van Wenen van Couchsurfing had een Indische jongen een voorstel gepost om te koken. Het enige wat hij daarvoor nodig had was een keuken. Via het forum was het allemaal georganiseerd geraakt en de Indiër kookte voor zo’n dertigtal couchsurfers (en vrienden). De keuken in kwestie hoorde bij de flat van Evelyn, een ‘nomadische ambassadrice’ van couchsurfing (wat niet veel meer betekent dan dat ze veel couchsurft en daarvoor erkenning krijgt). Het was een kleine flat, en iedereen liep heen en weer en praatte door elkaar. Er was zitplaats voor hoogstens 10 personen. Maar er was wel veel van dat Indisch voedsel en dat was exotisch pikant maar bijzonder lekker.

Alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd. Zulema was niet de enige die ‘haar couchsurfer’ had meegebracht. En ook de meeste couchsurfergastheren en –gastvrouwen hadden hun roots elders. De Oostenrijkers waren misschien nog de kleinste minderheid. Er waren Argentijnen, Amerikanen, een Spaanse, een Italiaanse, een Franse, enkele Duitsers,… Ik babbelde wat met iedereen en ik liet mij met plezier uitvragen over mijn reis in Frankrijk en mijn plan. Er waren er maar weinigen die het voor mogelijk hielden om couchsurfing voor langere reizen te gebruiken. Ik was het bewijs. Ook kwamen weer die typische vragen terug: ‘Waarom Europa?’, ‘Waarom geen exotischere bestemmingen?’ Waarop ik de gewoonlijke antwoorden gaf: ‘ik ken Europa niet,’ en ‘ik wil niet zo vrijblijvend wat foto’s gaan nemen van armoede om dat dan vervolgens thuis te komen dramatiseren wat ik tussen het foto’s nemen door gedaan heb,’ en ten slotte, ‘ik wil even kunnen meeleven met anderen en er deel van uitmaken.’ Eveneens zoals gewoonlijk, waren de antwoorden heel wat langer als de vragen. Maar ik kreeg het gelijk uiteindelijk wel aan mijn kant en degenen die met niet meer als de gebruikelijke clichés als argumenten Azië of Zuid-Amerika wouden ‘ontdekken,’ trokken zich algauw wat terug uit de discussie.

Van de food party gingen we naar een volgende bestemming. Zulema en ik waren al behoorlijk in de wind, maar we boemelden verder de nacht in. Gelukkig hadden we nog genoeg drank voor onderweg. We dronken in de metro en gingen weer naar het centrum. We gingen naar een faschingfeestje in de Fledermaus, een club in de erste Bezirk (het eerste district, ofte wel: het centrum). Zulema had er afgesproken met de mobile clubbers van voordien, Giorgio en compagnie. Ze zouden er zelf ook elk moment toe kunnen komen.

Er werden oldies gedraaid. Het was zo’n club waar mensen netjes opgekleed op de mindere platen van Abba gingen dansen, een typisch Weense club. Zulema en ik gingen zitten. De eerste vrienden kwamen algauw binnen. We bestelden bier en dronken, terwijl de groep gestaag groter en groter werd. Een andere zaal ging open en we gingen daarheen. De muziek stond er luider en iedereen begon al bij het binnengaan te dansen. Dit is waar het feest zich plaatsvond, en iedereen begon vrolijk van de alcoholroes in het wilde weg te bewegen. De slappe rock gaf het ritme aan, en iedereen deed daar wat mee naar eigen welbelieven.

Er waren weinig goede dansers, maar daar gaf eigenlijk niemand om, er was ook weinig goede muziek. Een meisje was als poes verkleed. Ik vroeg haar hoe ‘miaauw’ is in het Duits. ‘Miaauw’ zei ze. Ze ging een biertje halen. Ik achtervolgde ze en vroeg ze om mij te trakteren. Ik zei dat dat zo hoort. Ze was niet van couchsurfing dus kon ik ze spijtig genoeg niet in de ongeschreven regels ervan ‘inwijden’, en ik betaalde uiteindelijk zelf voor mijn pint. Wat later dansten we met elkaar, dichter en dichter, het topje van mijn neus tegen de hare, zo dicht dat ik bijna pijn aan de ogen kreeg van scheel haar aan te kijken. Dan kusten we elkaar.

Aanvankelijk wou ik niet dat Zulema mij zag kussen – ik vreesde mijn relatie met haar te verzuren. Maar vanwege onze gemeenschappelijke vriend Ben was er sowieso geen toekomst weggelegd voor ‘ons’, althans geen toekomst die zover zou rijken als haar bed (met nadruk op haar bed uiteraard). Ik besteedde er van langsom minder belang aan dat ik van haar weggedraaid bleef en genoot van mijn spelletje met die kat. – Tot we weer weggingen.

Volgende ochtend groette ik Zulema op facebook. Zij lag met haar laptop in haar bed, ze was de foto’s van de avond voordien aan het uploaden. Ik zat aan tafel, in de kamer ernaast, ook met mijn laptop. We bleven ongeveer een half uur chatten voordat ze haar kwam bijzetten aan tafel. Ze was dood – weeral. Maar ik was deze keer ook dood. We waren beiden dood. En ik moest die dag naar mijn volgende gastvrouw verhuizen, Sarah.

We aten wat en babbelden. Zulema had altijd iets heel nuchter en realistisch in haar manier van spreken. Ze heeft al wat meegemaakt en weet goed op haar eigen benen te staan. Dinsdag was de grote Faschingparty gepland. Voor de zoveelste keer herhaalde ze dat ik dan zeker verkleed zal moeten zijn. We spraken wat af voor dinsdag en namen afscheid, en ik vertrok, met kater en al.